ECLI:NL:RBSGR:2009:BM1289

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
9 juli 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 08/2865 IB/PVV
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:67 AwbArt. 11 lid 3 AwrArt. 30f lid 1 AwrArt. 30h lid 1 Awr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over verschuldigde heffingsrente bij voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2006

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de door de Belastingdienst opgelegde heffingsrente over haar voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2006. De kern van het geschil betrof de vraag of zij heffingsrente verschuldigd was en, zo ja, de hoogte daarvan. De rechtbank stelde vast dat de voorlopige aanslag binnen de wettelijke termijn was opgelegd en dat de heffingsrente conform de wet terecht in rekening was gebracht.

Eiseres voerde aan dat de heffingsrente in strijd was met het doel en de strekking van de wet en dat zij geen rente verschuldigd was. Daarnaast stelde zij dat de Belastingdienst onzorgvuldig had gehandeld en dat zij op grond van het vertrouwensbeginsel mocht verwachten dat de rente niet in rekening zou worden gebracht. De rechtbank verwierp deze stellingen, mede omdat eiseres geen bewijs leverde van een expliciete toezegging of onzorgvuldig handelen door de Belastingdienst.

De rechtbank verwees naar de wettelijke bepalingen in de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) en de jurisprudentie van de Hoge Raad, die bevestigen dat het in rekening brengen van heffingsrente ook gerechtvaardigd is als de aanslag eerder had kunnen worden opgelegd. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en wees het af zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de in rekening gebrachte heffingsrente is ongegrond verklaard en de heffingsrente is terecht opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector bestuursrecht
Afdeling 4, enkelvoudige kamer
Procedurenummer: AWB 08/2865 IB/PVV
Uitspraakdatum: 9 juli 2009
Proces-verbaal van de mondelinge UITSPRAAK ingevolge artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
in het geding tussen
mr. [X], wonende te [Z], eiseres,
en
de inspecteur van de Belastingdienst Holland-Midden, kantoor Leiden, verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 18 maart 2008 op het bezwaar van eiseres tegen de aan eiseres voor het jaar 2006 opgelegde voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 277.175 (aanslagnummer [nummer]).
I ZITTING
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2009.
Eiseres is daar in persoon verschenen. Namens verweerder is verschenen mr. [A].
II BESLISSING
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
III OVERWEGINGEN
3.1Eiseres heeft over het jaar 2006 met dagtekening 9 maart 2007 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 277.175. Op 8 november 2007, heeft verweerder een voorlopige aanslag IB/PVV 2006 opgelegd conform de aangifte. De inspecteur heeft tegelijk met het opleggen van de aanslag € 8.213 aan heffingsrente in rekening gebracht. Na bezwaar heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak de beschikking gehandhaafd.
3.2 In geschil is primair of eiseres heffingsrente is verschuldigd en, subsidiair, de hoogte van de verschuldigde heffingsrente. Tussen partijen is de hoogte van het vastgestelde belastbare inkomen uit werk en woning niet in geschil.
3.3 Op grond van artikel 30f, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) wordt met betrekking tot de inkomstenbelasting heffingsrente berekend ingeval een aanslag wordt vastgesteld. Op grond van artikel 30h, eerste lid, Awr wordt de heffingsrente in rekening gebracht over het positieve bedrag van de aanslag. Eiseres is volgens de aanslag een positief bedrag aan inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen verschuldigd, zodat bij de aanslag van eiseres in beginsel terecht een bedrag aan heffingsrente in rekening is gebracht.
Eiseres huldigt het standpunt dat zij geen heffingsrente is verschuldigd, omdat die rente in strijd met doel en strekking van artikel 30f, eerste lid, van de Awr aan haar in rekening is gebracht. De rechtbank overweegt als volgt. Het berekenen van heffingsrente, zowel het in rekening brengen als het vergoeden van rente, is bedoeld als compensatie van niet genoten rente door de schatkist dan wel de belanghebbenden. Nu de voorlopige aanslag 2006 gedagtekend is op 8 november 2007 is het in rekening brengen van heffingsrente overeenkomstig de bedoeling van de wetgever. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur terecht heffingsrente in rekening heeft gebracht. Zelfs in het geval dat verweerder de (voorlopige) aanslag eerder zou hebben kunnen opleggen, biedt bovengenoemde regeling naar tekst en strekking geen ruimte om in een geval als het onderhavige op die grond het in rekening brengen van heffingsrente achterwege te laten (zie Hoge Raad van 22 maart 2000, nr. 35 155, BNB 2000/175, LJN: AA5225).
3.4 Ingevolge artikel 11, derde lid, van de Awr vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan, zodat de inspecteur voor het jaar 2006 de aanslag kan opleggen tot en met uiterlijk 31 december 2009. De aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2006 ten name van eiseres is gedagtekend 8 november 2007. Dat is ruimschoots binnen de hiervoor bedoelde termijn. De rechtbank is van oordeel dat nu de voorlopige aanslag IB/PVV 2006 binnen de daarvoor geldende termijn is opgelegd het wettelijke regime voor het in aanmerking nemen van heffingsrente geenszins inhoudt dat de ter zake van de aanslag berekende heffingsrente zou moeten worden verminderd, omdat de aanslag eerder had kunnen worden opgelegd. Van een situatie dat de inspecteur het in rekening brengen van heffingsrente had moeten vermijden is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake nu de inspecteur binnen een redelijke termijn na binnenkomst van de aangifte een voorlopige aanslag overeenkomstig die aangifte heeft opgelegd.
3.5 Bij besluit van 24 oktober 2001, nr. CPP 2001/2110, VN 2001/60.1.1 heeft de staatsecretaris van Financiën met betrekking tot het in rekening brengen van heffingsrente het navolgende standpunt ingenomen:
"Wel heb ik toegezegd dat wanneer een duidelijk en volledig verzoek om een voorlopige aanslag is gedaan, het in rekening brengen van heffingsrente op verzoek van belastingplichtige beperkt kan worden." De stelling van eiseres dat zij telefonisch meerdere keren een dergelijk verzoek heeft gedaan, kan eiseres, op wie de bewijslast ligt, niet baten nu dergelijke verzoeken bij voorkeur schriftelijk gedaan moeten worden omwille van de bewijskracht. Aan voormelde toezegging van de staatssecretaris kan eiseres derhalve geen rechten ontlenen.
3.6 De rechtbank ziet ook anderszins geen aanleiding om de door eiseres verschuldigde heffingsrente geheel of gedeeltelijk te verminderen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat verweerder met het in rekening brengen van heffingsrente heeft gehandeld in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur en dan met name het vertrouwensbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel. Eiseres, op wie de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van een (expliciete) toezegging door de belastingdienst over het pas in 2007 in aanmerking nemen van een deel van haar inkomen hoewel dat is genoten in 2006. Mitsdien verwerpt de rechtbank het beroep op het vertrouwensbeginsel. Eiseres heeft evenmin haar stelling onderbouwd dat de belastingdienst in dit verband iets heeft gedaan of nagelaten waardoor sprake is van een handelen in strijd met de zorgvudigheid. De passage in de brief van verweerder van 11 februari 2008 waarin - naar later blijkt ten onrechte - wordt gesteld dat eiseres tijdig kan verzoeken om een nadere voorlopige aanslag als zij ziet aankomen dat moet worden bijbetaald, is daartoe onvoldoende.
3.7 Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.
3.8 De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Aldus vastgesteld door mr. R.C.H.M. Lips, in tegenwoordigheid van de griffier
mr. I.H.H.L. Kolthof.
Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2009.
RECHTSMIDDEL
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.