ECLI:NL:RBSGR:2010:35373

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
16 maart 2010
Publicatiedatum
29 november 2017
Zaaknummer
09/925486-09
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 2 Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenArt. 1 Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenArt. 27 Sr
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaren tegen DNA-afname en verwerking na veroordeling wegens stalking afgewezen

Bezwaarde is veroordeeld voor stalking gepleegd tussen 14 maart en 10 april 2009 en kreeg een werkstraf met een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Op grond van een bevel van de officier van justitie werd op 25 november 2009 DNA-materiaal van bezwaarde afgenomen. Bezwaarde maakte bezwaar tegen de afname en verwerking van zijn DNA-profiel.

De rechtbank oordeelt dat de afname en opslag van DNA-materiaal wettelijk is voorzien en voldoet aan artikel 8 EVRM Pro. De kernvraag is of de uitzonderingen in artikel 2, eerste lid, sub b, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden van toepassing zijn, die bepalen dat DNA niet verwerkt wordt als het niet van betekenis is voor opsporing of berechting.

De rechtbank stelt dat stalking niet per definitie een feit is waarbij DNA-onderzoek geen rol kan spelen, aangezien in sommige situaties DNA-onderzoek wel relevant kan zijn. De uitzonderingen worden daarom zeer beperkt uitgelegd, conform de jurisprudentie van de Hoge Raad. Het bezwaar wordt ongegrond verklaard en de DNA-afname en verwerking mogen doorgaan.

Uitkomst: Het bezwaarschrift tegen de DNA-afname en verwerking wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Beschikking

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector strafrecht
Parketnummer: 09/92548609
Kenmerk RK: 09/3993
Beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage, enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op het bezwaarschrift ex artikel7
van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden van:

[bezwaarder] ,

geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
blijkens een daarvan opgemaakte akte op 7 december 2009 ter griffie van deze rechtbank ingediend, tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel ingevolge het bevel van de officier van justitie gedateerd 25 oktober 2009. Op 25 november 2009 heeft de daadwerkelijke afname van DNA-materiaal bij bezwaarde plaatsgevonden.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier met bovengenoemd parketnummer. De rechtbank heeft op 2 maart 2009 dit bezwaarschrift in raadkamer behandeld.
Bezwaarde, bijgestaan door mr. M.J.G. Schroeder, advocaat te 's-Gravenhage als vervanger voor mr. S. Süzen, advocaat te Rotterdam, is in raadkamer gehoord.
De officier van justitie heeft in raadkamer geconcludeerd tot gegrondverklaring van het bezwaar.

Beoordeling van het bezwaarschrift.

De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot behandeling van het bezwaarschrift. Het bezwaarschrift is tijdig ingekomen.
Bezwaarde is bij uitspraak van 4 september 2009 door de politierechter van deze rechtbank ter zake - kort gezegd - belaging, gepleegd in de periode van 14 maar 2009 tot en met 10 april 2009, veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, met aftrek conform artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren.
Bij bezwaarde is, ingevolge het bevel van de officier van justitie van 25 oktober 2009, op 25 november 2009 op grond artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, celmateriaal afgenomen. Het DNA-profiel van bezwaarde is nog niet bepaald.
Door bezwaarde is - kort samengevat - aangevoerd dat
1. het afnemen en opslaan van DNA-celmateriaal in strijd is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de mens (EVRM),
2. de situatie van bezwaarde valt onder de uitzondering van artikel 2, eerste lid, sub b van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden;
3. het hoger beroep van bezwaarde tegen het vonnis d.d. 4 september 2009 de DNA-afname stuit.
De rechtbank overweegt als volgt.
met betrekking tot 1.
De afname en opslag van DNA-materiaal bij bezwaarde betreft een schending die bij wet is voorzien en mitsdien voldoet aan de eisen van art. 8 EVRM Pro.
met betrekking tot 2
De vraag die voorligt, is of de uitzondering van artikel 2, eerste lid, sub b, van de Wet DNA­ onderzoek bij veroordeelden zich voordoet. Volgens de raadsman, daarin gevolgd door de officier van justitie, is dit het geval nu voor DNA-onderzoek geen rol had kunnen spelen bij de opsporing en vervolging van het feit waarvoor bezwaarde veroordeeld is.
Artikel 2 van Pro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden bepaalt dat afname van DNA plaatsvindt, tenzij er sprake is van een van de uitzonderingen genoemd in het eerste lid, sub a of sub b. In het eerste lid sub b wordt bepaald dat het DNA-profiel niet zal worden bepaald en verwerkt als "redelijkerwijs aannemelijk is dat DNA niet van betekenis zal zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde" (MvT, p. 11 ). Uit de MvT volgt dat deze zin twee uitzonderingen op de verplichting tot DNA-verwerking bevat.
De eerste uitzondering gaat op als bezwaarde is veroordeeld voor een feit waarvoor DNA niet van betekenis kan zijn. DNA-verwerking is echter wel weer mogelijk als aannemelijk is dat bezwaarde zal recidiveren voor een ander misdrijf waarbij DNA oplossing kan bieden, of wanneer bezwaarde in het verleden andere misdrijven heeft begaan waarbij doorgaans celmateriaal achterblijft.
De tweede uitzondering richt zich op de bijzonderheid van de omstandigheden: bezwaarde heeft nooit eerder misdrijven gepleegd en zal nimmer meer misdrijven plegen waarvoor DNA van betekenis kan zijn. Gelet op uitspraak van de Hoge Raad d.d. 13 mei 2008 (LJN: BC 823 I en BC 8234) dient deze uitzondering zeer beperkt te worden uitgelegd.
Bezwaarde is veroordeeld voor stalking. Op zichzelf is het juist dat bij de daadwerkelijke opsporing en berechting van bezwaarde DNA-onderzoek geen rol heeft gespeeld. Dat betekent echter nog niet dat er in zijn algemeenheid sprake is van een strafbaar feit waarvoor DNA niet van betekenis zal kunnen zijn. Ook bij stalking kunnen zich immers situaties voor doen waarbij redelijkerwijs aannemelijk is dat DNA-onderzoek een rol van betekenis kan spelen bij de opsporing, vervolging en berechting ervan. Van een situatie waarop de eerste uitzondering van artikel 2 eerste Pro lid sub b ziet, is naar het oordeel van de rechtbank mitsdien geen sprake.
Ook de tweede uitzondering is niet aan de orde, gelet op de zeer beperkte uitleg die hieraan volgens de Hoge Raad moet worden gegeven.

met betrekking tot 3.

Zoals bepaald in artikel 1, eerste lid, sub c van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden kan de afname, bepaling en verwerking van DNA kan plaatsvinden na een veroordeling, ook als deze nog niet onherroepelijk is (MvT, p. 30-31).

Beslissing.

De rechtbank verklaart het bezwaarschrift ongegrond.
Aldus gedaan te 's-Gravenhage door mr. E.A.G.M. van Rens, vice-president, in tegenwoordigheid van mr. A.C.M. Beneken genaamd Kolmer, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 16 maart 2010.