ECLI:NL:RBSGR:2010:BL4264

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
11 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 08/37277
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen ongewenstverklaring vreemdeling

Verzoeker, een vreemdeling van Afghaanse nationaliteit, is ongewenst verklaard op grond van artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Na bezwaar en beroep heeft verweerder het besluit tot ongewenstverklaring ingetrokken, waarna verzoeker een beroep instelde tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar. Verzoeker vroeg de rechtbank om schorsing van alle rechtsgevolgen van de ongewenstverklaring en intrekking van zijn verblijfsvergunning.

Tijdens de zitting verklaarde verweerder dat verzoeker niet zal worden uitgezet voordat op het bezwaar is beslist, waardoor geen dreiging van uitzetting bestaat. De rechtbank heeft verweerder opgedragen binnen een korte termijn een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Gezien deze omstandigheden en het feit dat verzoeker tegen die nieuwe beslissing opnieuw beroep kan instellen, is er onvoldoende spoedeisend belang om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter wees het verzoek af, maar bepaalde dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht vergoedt. Er zijn geen noemenswaardige proceshandelingen verricht in deze voorlopige voorziening, zodat geen verdere proceskosten worden toegewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE
Nevenzittingsplaats Utrecht
Sector bestuursrecht
Vreemdelingenkamer
zaaknummer: AWB 08/37277
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], geboren op [1962], van Afghaanse nationaliteit, verzoeker,
gemachtigde: mr. G.J. Dijkman, advocaat te Utrecht
en
de Staatssecretaris van Justitie,
verweerder,
gemachtigde: mr. B.M. Kristel.
Inleiding
1.1 Bij besluit van 11 januari 2007 heeft verweerder verzoeker ongewenst verklaard op grond van artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 19 september 2008 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Bij brief van 17 oktober 2008 heeft verzoeker bij de rechtbank beroep ingesteld tegen dit besluit en de voorzieningenrechter verzocht de werking van het besluit te schorsen.
1.2 Bij brief van 27 oktober 2009 heeft verweerder de rechtbank en verzoeker bericht dat het besluit van 19 september 2008 is ingetrokken.
1.3 Bij brief van 21 december 2009 heeft verzoeker de rechtbank verzocht het beroep aan te merken als te zijn gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar. Verzoeker heeft het verzoekschrift gewijzigd in die zin dat thans wordt verzocht alle rechtsgevolgen van het besluit tot ongewenstverklaring op te schorten totdat op het bezwaar is beslist.
1.4 Het verzoek om voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 9 februari 2010. Verweerder heeft ter zitting bij monde van zijn gemachtigde zijn standpunt toegelicht.
Overwegingen
2.1 Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventuele vervolgprocedure niet.
2.2 Verzoeker heeft gevraagd om een voorlopige voorziening in afwachting van de nieuwe beslissing op bezwaar over de ongewenstverklaring. Hij verzoekt daarbij schorsing van alle rechtsgevolgen die met (de intrekking van zijn verblijfsvergunning) en de ongewenstverklaring samenhangen.
2.3 Ter zitting heeft verweerder verklaard dat verzoeker zeker niet zal worden uitgezet voordat de nieuwe beslissing op bezwaar is genomen. Een dreiging van uitzetting is daarmee dus niet aanwezig. Op zijn, met dit verzoek om voorlopige voorziening samenhangende, beroep tegen het niet tijdig beslissen is bij uitspraak van heden, in de zaak AWB 08/37276, beslist. Daarbij is verweerder opgedragen binnen een daar bepaalde korte termijn te beslissen op het na de intrekking van de eerste beslissing op bezwaar weer "opengevallen" bezwaar. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat dit ook mogelijk is om binnen die termijn te beslissen. Nu op korte termijn een tweede beslissing op bezwaar zal worden genomen en verzoeker daartegen ook beroep kan instellen en in verband met dat beroep opnieuw kan verzoeken om een voorlopige voorziening, bestaat onvoldoende spoedeisend belang om voor die korte tijd een voorlopige voorziening te treffen.
2.4 Het verzoek wordt afgewezen.
2.5 Nu het verzoek om voorlopige voorziening al is ingediend toen er nog een beslissing op bezwaar was en het dus niet aan een proceskeuze van verzoeker ligt dat er nu zowel een beroep tegen niet tijdig beslissen als een verzoek om voorlopige voorziening ligt, ziet de voorzieningenrechter in de uitkomst van het bodemgeding aanleiding om verweerder op gelijke voet als in de bodemuitspraak het griffierecht te laten vergoeden aan verzoeker. Nu in de voorlopige-voorzieningzaak geen noemenswaardige afzonderlijke proceshandelingen zijn verricht, bestaat geen aanleiding datzelfde te beslissen over de proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht
wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
bepaalt dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht van € 145,-- aan hem vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2010.
De griffier:
mr. M.L. Bressers
De rechter:
mr. D.A. Verburg
De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
afschrift verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.