ECLI:NL:RBSGR:2010:BL4375
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting naar China
Eiser, een Chinese nationaliteit, werd op 18 januari 2010 in vreemdelingenbewaring gesteld. Het geschil betrof de rechtmatigheid van deze bewaring, waarbij eiser stelde dat er geen reëel zicht op uitzetting naar China bestond en dat verweerder dit reeds bij aanvang had moeten weten.
De rechtbank stelde vast dat volgens vaste jurisprudentie doorgaans geen zicht op uitzetting naar China bestaat, tenzij er aanwijzingen zijn voor uitzetting naar een derde land of een geldig document voor directe uitzetting. In dit geval bleek pas na oplegging van de bewaring tijdens het identiteitsgehoor dat er mogelijk een Dublinclaim op Frankrijk bestond, maar ten tijde van oplegging waren dergelijke aanwijzingen niet aanwezig.
De rechtbank concludeerde dat de bewaring daarom in strijd was met artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 is opgelegd. Het beroep van eiser werd gegrond verklaard, waarna de bewaring werd opgeheven. Tevens werd eiser een schadevergoeding van €105 toegekend voor de onrechtmatige vrijheidsontneming en werden de proceskosten van €874 aan eiser toegewezen.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring werd onrechtmatig geacht en eiser kreeg een schadevergoeding en proceskosten toegekend.