ECLI:NL:RBSGR:2010:BL7909
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- G.P. Verbeek
- I.A.M. Kroft
- E.R. Eggeraat
- Rechtspraak.nl
Reikwijdte en geldigheid van het voorkeursrecht op grond van artikel 9 Wet voorkeursrecht gemeenten
De rechtbank 's-Gravenhage behandelde beroepen tegen besluiten van de gemeente Den Haag inzake de aanwijzing van gronden in Laakhaven West als voorkeursrechtgebied op grond van de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg). De kern van het geschil betrof de vraag of het voorkeursrecht rechtsgeldig was gevestigd, met name in het licht van artikel 9 Wvg Pro dat beperkingen stelt aan opeenvolgende aanwijzingen op dezelfde grondslag.
De rechtbank overwoog dat het voorkeursrecht in 2008 terecht was gebaseerd op het Regionaal Structuurplan Haaglanden 2020 (RSP 2020), een planologische grondslag die een volgende stap vormt in het planproces ten opzichte van de eerdere aanwijzing in 2004, die was gebaseerd op een kaart met toegedachte bestemming. Hierdoor was geen sprake van een vestiging op dezelfde grondslag, zodat artikel 9 Wvg Pro niet van toepassing was.
Verder stelde de rechtbank vast dat aan de formele vereisten van artikel 2 Wvg Pro was voldaan, ondanks enkele formele tekortkomingen die de geldigheid van het besluit niet aantasten. De belangenafweging was zorgvuldig gemaakt, waarbij het algemeen belang van planologische ontwikkeling en het tegengaan van speculatie zwaarder woog dan de financiële belangen van eiseressen.
De beroepen werden ongegrond verklaard en de rechtbank wees een proceskostenveroordeling af wegens het ontbreken van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.
Uitkomst: De beroepen tegen de aanwijzing van voorkeursrecht op de percelen in Laakhaven West worden ongegrond verklaard.