ECLI:NL:RBSGR:2010:BL7998
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onmiddellijke opheffing vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende voortvarendheid uitzetting
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van zijn vreemdelingenbewaring nadat eerdere uitspraken dit beroep ongegrond hadden verklaard. De rechtbank toetst nu of de voortzetting van de bewaring sinds 14 januari 2010 rechtmatig is en of de Staatssecretaris voldoende voortvarend handelt bij de uitzetting.
Eiser stelt dat er onvoldoende zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn en dat de Staatssecretaris niet voortvarend genoeg is, mede omdat de aanvraag van een laissez-passer laat werd ingediend en de Algerijnse autoriteiten deze weigeren. Verweerder stelt dat een vertrekgesprek gepland staat op 16 februari 2010 en dat vaker vertrekgesprekken zullen volgen, maar kan geen concrete datum noemen.
De rechtbank oordeelt dat de eerdere beoordeling over het zicht op uitzetting ongewijzigd blijft en deze grond faalt. Wel is vastgesteld dat na een schriftelijk rappel op 24 december 2009 geen uitzettingshandelingen meer zijn verricht en dat een volgend vertrekgesprek zinvol was geweest. Het ontbreken van een concrete datum voor een volgend vertrekgesprek acht de rechtbank onvoldoende voortvarendheid van de Staatssecretaris.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep gegrond, beveelt onmiddellijke opheffing van de bewaring en kent een schadevergoeding van € 2.240 toe voor de periode vanaf 14 januari 2010. Tevens worden proceskosten van € 437 aan eiser toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de bewaring van eiser wordt onmiddellijk opgeheven met toekenning van een schadevergoeding.