ECLI:NL:RBSGR:2010:BL8486

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
19 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
Awb 10-7654 en 10-7655
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 Vw 2000Art. 59 Vw 2000Art. 3:46 AwbArt. 8:75 AwbArt. 14 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vrijheidsbeperkende maatregel wegens onvoldoende motivering en disproportionaliteit

De Staatssecretaris van Justitie legde op 3 en 25 februari 2010 aan eisers, een gezin van Armeense nationaliteit, een vrijheidsbeperkende maatregel op op grond van artikel 56 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel verplichtte hen te verblijven in de gemeente Vlagtwedde. Eisers stelden beroep in tegen deze besluiten, stellende dat zij over een vaste woonplaats beschikken en dat een lichter middel, zoals een meldplicht, volstaat.

De rechtbank overweegt dat hoewel eisers aanvankelijk niet voldeden aan de rechtsplicht Nederland te verlaten, door een voorlopige voorziening van de voorzieningenrechter op 29 januari 2010 de uitzetting werd opgeschort en het bezwaar tegen de weigering van verblijfsvergunning een redelijke kans van slagen heeft. Hierdoor is terugkeer binnen twaalf weken niet te verwachten en is facilitering van vertrek niet aan de orde.

De rechtbank stelt vast dat eisers traceerbaar zijn, een vaste woonplaats hebben waar de kinderen onderwijs volgen en waar de psychiater van eiseres bereikbaar is. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom niet met een lichter middel zoals een meldplicht kon worden volstaan. Daarom zijn de besluiten niet deugdelijk gemotiveerd en worden zij vernietigd. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de vrijheidsbeperkende maatregel wegens onvoldoende motivering en veroordeelt verweerder in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen
Sector Bestuursrecht
Vreemdelingenkamer
Zaaknummer: Awb 10/7654 en Awb 10/7655
Uitspraak op de beroepen tegen de vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 56 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdelingen genaamd, althans zich noemende:
[eiser],
geboren op [geboortedatum] 1978,
van gestelde Armeense nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer],
eiser,
en
[eiseres],
geboren op [geboortedatum] 1981,
van gestelde Armeense nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer],
eiseres,
mede namens hun minderjarige kinderen:
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum] 2002,
V-nummer: [V-nummer],
en
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum] 2000,
V-nummer: [V-nummer],
gezamenlijk eisers,
gemachtigde: mr. A.J.P. Lemmen, advocaat te Heerlen.

1.Ontstaan en loop van het geschil

1.1.
De Staatssecretaris van Justitie, thans de Minister van Justitie, hierna verweerder, heeft op 3 februari 2010 aan eiseres en haar kinderen en op 25 februari aan eiser een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 56, eerste lid van de Vw 2000 opgelegd. Eisers zijn daarbij verplicht te verblijven in de gemeente Vlagtwedde.
1.2.
Zowel eiser als eiseres heeft hiertegen, mede namens hun minderjarige kinderen, op 26 februari 2010 beroep ingesteld bij de rechtbank. Op 4 maart 2010 hebben eisers stukken in het geding gebracht.
1.3.
Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden. Bij brief van 5 maart 2010 heeft verweerder het opleggen van de maatregel nader toegelicht.
1.4.
Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 8 maart 2010. Eisers zijn daar in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Voor verweerder is als gemachtigde verschenen mr. C.I. Tienstra-van der Boom. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

2.Rechtsoverwegingen

2.1
Ingevolge artikel 56, eerste lid, Vw 2000 kan door verweerder overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te geven regels, indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, de vrijheid van beweging worden beperkt van de vreemdeling die:
geen rechtmatig verblijf heeft;
. rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, met uitzondering van de onderdelen b, d en e.
Ingevolge artikel 5.1 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) kan de maatregel van beperking van vrijheid van beweging, bedoeld in artikel 56, eerste lid, Vw 2000, bestaan uit:
een verplichting zich bij verblijf in Nederland in een bepaald gedeelte van Nederland te bevinden, of een verplichting zich te houden aan een verbod om zich in een bepaald gedeelte of bepaalde gedeelten van Nederland te bevinden.
2.2
Volgens het in paragraaf A6/4.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) neergelegde beleid mogen de opgelegde beperkingen ex artikel 56 Vw Pro 2000 niet zo verstrekkend zijn dat zij het karakter van een vrijheidsontnemende maatregel hebben, noch dienen zij ertoe om de uitzetting van een vreemdeling te verzekeren. Alleen in uitzonderingsgevallen, met name indien de uitzetting (nog) niet kan plaatsvinden en de toepassing van een andere vrijheidsbeperkende maatregel niet in aanmerking komt, kan deze maatregel in het kader van de openbare orde of nationale veiligheid toegepast worden. Hoewel de maatregel niet aan een wettelijke termijn gebonden is, dienen ook hierbij de beginselen van proportionaliteit (doelmatigheid) en subsidiariteit (kan een lichter middel toegepast worden) in acht genomen te worden. De vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 56 Vw Pro 2000 – al dan niet in combinatie met een toezichtsmaatregel op grond van artikel 54 Vw Pro 2000 – kan worden opgelegd in een daartoe bestemde vrijheidsbeperkende locatie. Vanuit de vrijheidsbeperkende locatie zal intensieve facilitering van (zelfstandige) terugkeer plaatsvinden. De vrijheidsbeperking op grond van artikel 56 Vw Pro 2000 in de vrijheidsbeperkende locatie zal in beginsel uiterlijk twaalf weken worden opgelegd.
Volgens het in A6/4.3.5 Vc 2000 neergelegde beleid kan wanneer een vreemdeling een vertrekplicht heeft en daaraan niet voldoet in beginsel de maatregel op grond van artikel 56 Vw Pro 2000 worden opgelegd. De openbare orde wordt geacht de beperking van de bewegingsvrijheid te vorderen indien de vreemdeling niet heeft voldaan aan zijn rechtsplicht om Nederland te verlaten en brengt met zich dat het gevaar dat de vreemdeling zich zal onttrekken aan toezicht in beginsel aanwezig is.
2.3
Verweerder heeft eisers de vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd omdat het belang van de openbare orde dit vordert en heeft de maatregel gebaseerd op de navolgende gronden. Eisers hebben niet voldaan aan de rechtsplicht om uit eigen beweging Nederland te verlaten, zij hebben geen vaste woon- of verblijfplaats, beschikken niet over voldoende middelen van bestaan waardoor het gevaar bestaat dat eisers zich aan de uitzetting zullen onttrekken. Verweerder wijst er op dat voor eisers al een vlucht naar Armenië stond gepland maar dat deze geen doorgang heeft gevonden vanwege de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittinghoudend te [woonplaats], van 29 januari 2010 (Awb 10/3858 en Awb 10/3859). Daarnaast wijst verweerder op de verslagen van de vertrekgesprekken waaruit volgens verweerder blijkt dat eisers niet van plan zijn Nederland te verlaten en niet meewerken aan het vertrek.
2.4
Eisers hebben betwist dat de openbare orde vordert dat aan hen een vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd. Eisers zijn van mening dat verweerder had kunnen volstaan met een lichter middel. Zij hebben daartoe het volgende aangevoerd. Zij beschikken over een vaste woon- en verblijfplaats. Zij wonen in [woonplaats]. De woning staat nog steeds tot hun beschikking. Zij zullen zich niet onttrekken aan uitzetting. Eiseres staat onder behandeling van een psychiater in [woonplaats]. In de vrijheidsbeperkende locatie (VBL) is het niet mogelijk een psychiater te bezoeken. Voorts is het onderwijs op de school die de kinderen nu bezoeken voor de kinderen niet geschikt. Verweerder zou eisers kunnen verplichten [woonplaats] niet te verlaten en zich eenmaal per dag te melden bij de vreemdelingenpolitie in [woonplaats]. De vrijheidsbeperkende maatregel is niet bedoeld om de uitzetting van een vreemdeling te verzekeren.
2.5
Aan eisers is op 21 januari 2010 de maatregel van bewaring als bedoeld in artikel 59 Vw Pro 2000 opgelegd. Bij uitspraak van 29 januari 2010, openbaar gemaakt en verzonden op 3 februari 2010, heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Maastricht, de voorlopige voorziening getroffen dat uitzetting van eisers achterwege dient te blijven tot en met vier weken na de bekendmaking van de beslissing(en) op het bezwaarschrift van 29 januari 2010 gericht tegen de besluiten van verweerder van 29 januari 2010 waarbij verweerder de aanvragen van eisers om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 van Pro de Vw 2000 onder de beperking “conform beschikking Staatssecretaris van Justitie” heeft afgewezen. Daartoe is in die uitspraak overwogen dat sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden en verweerder zich bij het nemen van deze besluiten er geen rekenschap van heeft gegeven en niet bij zijn belangenafweging heeft betrokken wat het gevolg is van (tijdelijke) terugkeer voor de kinderen. Gelet hierop heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat het bezwaarschrift redelijke kans van slagen heeft.
Volgens de brief van verweerder van 5 maart 2010 leidde deze uitspraak tot opheffing van de bewaring van eiseres en haar kinderen en het opleggen aan hen van de onderhavige vrijheidsbeperkende maatregel.
Uit de stukken kan verder worden afgeleid dat bij besluiten van 22 en 23 februari 2010 op de bezwaarschriften is besloten en de bezwaren ongegrond zijn verklaard. Op 24 februari 2010 zijn deze besluiten op bezwaar echter ingetrokken. Uit de intrekkingsbrief blijkt dat alsnog om een advies van de BMA-arts zal worden verzocht. Deze intrekking heeft geleid tot opheffing van de bewaring van eiser en het opleggen aan hem van de onderhavige vrijheidsbeperkende maatregel.
2.6
Niet in geschil is dat eisers voorafgaand aan de inbewaringstelling op 21 januari 2010 niet hebben voldaan aan de rechtsplicht om uit eigen beweging Nederland te verlaten. Weliswaar liep op dat moment nog een hoger beroep met betrekking tot het niet ambtshalve doen van een aanbod op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap Vreemdelingenwet (oud), maar dit hoger beroep had geen schorsende werking. Evenmin is in geschil dat eisers niet beschikken over voldoende (zelfstandige) middelen van bestaan. Reeds hierom heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de openbare orde wordt geacht de beperking van de bewegingsvrijheid te vorderen. De vraag of de woning van eisers in [woonplaats], die volgens wethouder [A] van [woonplaats] nog voor hen beschikbaar is, als een vaste woon- of verblijfplaats kan worden aangemerkt, kan in dit verband buiten bespreking blijven. Verweerder was bevoegd de maatregel op te leggen.
2.7
Voor wat betreft de vraag of verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken, overweegt de rechtbank het volgende. Hoewel eisers eerder niet hebben voldaan aan de rechtsplicht Nederland te verlaten, rustte op het moment dat de vrijheidsbeperkende maatregel werd opgelegd, vanwege de op 29 januari 2010 getroffen voorlopige voorziening, op eisers niet meer de rechtsplicht om Nederland te verlaten. Door de intrekking van de besluiten op bezwaar, zal verweerder nu eerst een BMA-advies moeten opvragen en vervolgens nieuwe besluiten op de bezwaarschriften van 29 januari 2010 moeten nemen. Volgens de uitspraak van de voorzieningenrechter, heeft dit bezwaar een redelijke kans van slagen, hetgeen impliceert dat niet uitgesloten is dat aan hen alsnog een vergunning zal worden verleend. Niet te verwachten is dat terugkeer binnen twaalf weken gerealiseerd kan worden. Facilitering van het vertrek is vooralsnog evenmin aan de orde. Daar komt bij dat de woning van eisers in [woonplaats] nog steeds voor hen beschikbaar is, eisers op die plaats traceerbaar zijn, dat de kinderen daar naar het reguliere onderwijs kunnen en de psychiatrische behandeling van eiseres aldaar kan worden voortgezet. Onder deze omstandigheden had verweerder naar het oordeel van de rechtbank moeten motiveren waarom niet met een lichter middel zoals een meldplicht kan worden volstaan. Nu dat niet is gedaan, zijn de bestreden besluiten niet deugdelijk gemotiveerd.
2.8
De beroepen zijn gegrond. De bestreden besluiten dienen te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 Algemene Pro wet bestuursrecht (Awb).
2.9.
Voor veroordeling overeenkomstig artikel 8:75, eerste lid, Awb van verweerder in
de kosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs hebben moeten maken, bestaat thans aanleiding. Het bedrag van de te vergoeden proceskosten moet naar het oordeel van de rechtbank worden bepaald op € 874,- [1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarbij de rechtbank beide beroepen als samenhangend en derhalve als één zaak aanmerkt].

3.Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten van 3 februari 2010 en 25 februari 2010 waarbij aan eiseres en haar minderjarige kinderen respectievelijk aan eiser een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 56 Vw Pro 2000 is opgelegd;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 874,- en bepaalt dat verweerder deze kosten aan de griffier van de rechtbank dient te vergoeden.
Aldus gegeven door mr. S.M. Schothorst en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. A.J. Flik als griffier op 19 maart 2010.
De griffier is buiten staat Rechter
de uitspraak te ondertekenen
Tegen deze uitspraak staan geen rechtsmiddelen open.
Afschrift verzonden: