Uitspraak
RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE
1.Ontstaan en loop van het geschil
2.Rechtsoverwegingen
Ingevolge artikel 5.1 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) kan de maatregel van beperking van vrijheid van beweging, bedoeld in artikel 56, eerste lid, Vw 2000, bestaan uit:
een verplichting zich bij verblijf in Nederland in een bepaald gedeelte van Nederland te bevinden, of een verplichting zich te houden aan een verbod om zich in een bepaald gedeelte of bepaalde gedeelten van Nederland te bevinden.
Volgens het in A6/4.3.5 Vc 2000 neergelegde beleid kan wanneer een vreemdeling een vertrekplicht heeft en daaraan niet voldoet in beginsel de maatregel op grond van artikel 56 Vw Pro 2000 worden opgelegd. De openbare orde wordt geacht de beperking van de bewegingsvrijheid te vorderen indien de vreemdeling niet heeft voldaan aan zijn rechtsplicht om Nederland te verlaten en brengt met zich dat het gevaar dat de vreemdeling zich zal onttrekken aan toezicht in beginsel aanwezig is.
Volgens de brief van verweerder van 5 maart 2010 leidde deze uitspraak tot opheffing van de bewaring van eiseres en haar kinderen en het opleggen aan hen van de onderhavige vrijheidsbeperkende maatregel.
Uit de stukken kan verder worden afgeleid dat bij besluiten van 22 en 23 februari 2010 op de bezwaarschriften is besloten en de bezwaren ongegrond zijn verklaard. Op 24 februari 2010 zijn deze besluiten op bezwaar echter ingetrokken. Uit de intrekkingsbrief blijkt dat alsnog om een advies van de BMA-arts zal worden verzocht. Deze intrekking heeft geleid tot opheffing van de bewaring van eiser en het opleggen aan hem van de onderhavige vrijheidsbeperkende maatregel.