ECLI:NL:RBSGR:2010:BL9825
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige voortzetting vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende voortvarendheid bij uitzetting
Eiser, een vreemdeling met de nationaliteit van Kazachstan en Rusland, werd op 11 december 2009 in vreemdelingenbewaring gesteld. Na afwijzing van zijn laissez passer-aanvraag door de Kazachstaanse autoriteiten op 25 februari 2010, diende eiser beroep in tegen de voortzetting van zijn bewaring. Hij stelde dat de overheid onvoldoende voortvarend handelde bij de voorbereiding van zijn uitzetting, waardoor het zicht op uitzetting ontbrak en de bewaring onrechtmatig werd.
De rechtbank stelde vast dat er twee gescheiden procedures liepen voor de laissez passer-aanvragen, één via de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) en één via de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V). Hoewel de IOM-aanvraag was afgewezen, had de overheid meer dan een maand gewacht met verdere actie, wat onvoldoende voortvarend werd geacht.
De rechtbank oordeelde dat de voortzetting van de bewaring vanaf 25 februari 2010 onrechtmatig was en bepaalde dat de bewaring met onmiddellijke ingang moest worden opgeheven. Tevens kende de rechtbank een schadevergoeding toe voor de onrechtmatige bewaring en veroordeelde de Staat in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de voortzetting van de vreemdelingenbewaring onrechtmatig is en beveelt onmiddellijke opheffing met toekenning van schadevergoeding.