ECLI:NL:RBSGR:2010:BM0558

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
8 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
Awb 10-10927 en 10-10925
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 2 EVRMArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsvergunning asiel na aardbeving Haïti wegens ontbreken individuele vervolgingsgrond

Verzoeker, van Haitiaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel na de aardbeving van 12 januari 2010, waarbij hij zijn huis verloor en slechte leefomstandigheden ondervond. Hij vluchtte via de Dominicaanse Republiek en Frankrijk naar Nederland. De Immigratie- en Naturalisatiedienst wees zijn aanvraag af omdat de aardbeving geen grond vormt voor bescherming onder artikel 3 EVRM Pro.

De voorzieningenrechter stelt vast dat een natuurramp zoals een aardbeving een situatie is die alle inwoners treft en niet leidt tot individuele vervolgingsgronden. Verzoeker bracht geen omstandigheden naar voren die hem in een slechtere positie plaatsen dan anderen bij terugkeer. Jurisprudentie van het EHRM vereist individuele kenmerken of uitzonderlijk algemeen geweld, hetgeen hier niet aan de orde is.

Verzoekers beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. De rechtbank oordeelt dat Nederland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag en dat er geen grond is voor uitstel van vertrek of overdracht aan Frankrijk. Er is geen aanleiding voor kostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE
Nevenzittingsplaats Groningen
Sector Bestuursrecht
Vreemdelingenkamer
Voorzieningenrechter
Zaaknummers: Awb 10/10927 (voorlopige voorziening)
Awb 10/10925 (beroep)
Uitspraak in de geschillen tussen:
X,
van gestelde Haitiaanse nationaliteit,
V-nummer:
verzoeker,
gemachtigde: mr. E. van den Hombergh, advocaat te ‘s-Hertogenbosch,
en
DE MINISTER VAN JUSTITIE
(Immigratie- en Naturalisatiedienst),
te ’s-Gravenhage,
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. M.B.Y. Vet, ambtenaar ten departemente.
1. Ontstaan en loop van het geschil
1.1. Op 16 maart 2010 heeft verzoeker een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 23 maart 2010 afwijzend op de aanvraag beslist.
1.2. Op 23 maart 2010 heeft verzoeker hiertegen beroep ingesteld.
1.3. Bij verzoekschrift van 23 maart 2010 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het beroep is beslist. Op 30 maart 2010 zijn de gronden van het beroep en het verzoek ingediend. .
1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden, onder gelijktijdige verzending daarvan aan verzoeker.
1.5. Het verzoek is behandeld ter openbare zitting van 1 april 2010. Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. H.A. Limonard als zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
2. Rechtsoverwegingen
2.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
De voorzieningenrechter kan, indien hij van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet bij kan dragen aan de beoordeling van de zaak, op grond van artikel 8:86, eerste lid, Awb, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Partijen zijn bij de uitnodiging voor de zitting op deze bevoegdheid gewezen.
Feiten en standpunten van partijen
2.2. Eiser heeft aan zijn onderhavige asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij de aardbeving van 12 januari 2010 heeft meegemaakt. Daarbij is hij zijn huis verloren. Eiser en zijn gezin werden opgevangen in tenten, maar de leefomstandigheden waren slecht. Het was telkens weer een gevecht om eten te bemachtigen en er was sprake van hekserij. Op 20 februari 2010 is eiser alleen naar de Dominicaanse Republiek gegaan. Vandaar is hij naar Frankrijk gevlogen. Eiser heeft enkele dagen op het vliegveld Charles de Gaulle verbleven. Daarvandaan werd hij naar een opvangcentrum verwezen. Op 3 maart 2010 ontmoette hij een man die hem heeft geholpen naar Nederland te reizen.
2.3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat de aanvraag niet gegrond is op omstandigheden die verband houden met een van de vervolgingsgronden uit het Vluchtelingenverdrag. Evenmin is het feit dat eiser slachtoffer is van een aardbeving een omstandigheid die aanleiding is om een verblijfsvergunning op grond van artikel 3 EVRM Pro of artikel 2 EVRM Pro te verlenen. Deze verdragsbepalingen zien niet op de situatie van een natuurramp.
2.4. Verzoeker vindt dat hij op grond van artikel 20, eerste lid aanhef en onder b, Vw 2000 in aanmerking zou moeten komen voor een verblijfsvergunning. Verzoeker is van mening dat terugkeer naar Haïti mogelijk in strijd is met artikel 2 en Pro 3 van het EVRM. Het niet kunnen beschikken over een basis van voedsel, onderdak en medische zorg brengt het risico van een behandeling in strijd met artikel 2 en Pro 3 EVRM met zich mee. Gewezen is op een op 19 november 2009 getroffen interim measure van de President van het Europees Hof voor de rechten van de Mens, nr. 60915/09, waarin Nederland is opgedragen een vreemdelinge en haar zoon van nog geen jaar oud opvang te verlenen voor de uitzettingsdatum. De UNHCR heeft aangegeven dat het principe van non refoulement ook kan worden toegepast op mensen die vluchten vanwege natuurrampen. Verweerder had een beleid van uitstel van vertrek kunnen voeren voor Haïtianen die door de aardbeving zijn getroffen. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom een dergelijk beleid niet wordt gevoerd. Verzoeker zou in ieder geval tijdelijk opvang dienen te krijgen. Subsidiair is eiser van mening dat hij in het kader van de overeenkomst van Dublin door Nederland dient te worden overgedragen aan Frankrijk. Dat land is volgens eiser verantwoordelijk voor zijn asielaanvraag.
Beoordeling van het verzoek
2.5. De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat het beroep zich beperkt tot de weigering van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid aanhef en onder b Vw 2000.
2.6. De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat de aardbeving die voor verzoeker aanleiding is geweest om Haïti te verlaten geen omstandigheid is waartegen artikel 3 EVRM Pro bescherming beoogt te bieden. De voorzieningenrechter kan zich vinden in de in het voornemen en bestreden besluit door verweerder gegeven motivering. Een aardbeving dan wel een andere vorm van een natuurramp is uit de aard der zaak een aangelegenheid die alle inwoners van het getroffen gebied treft. Er is geen enkele omstandigheid door verzoeker naar voren gebracht waaruit zou moeten worden afgeleid dat verzoeker bij terugkeer naar Haïti in vergelijking met anderen in een slechtere, onmenselijke, positie komt te verkeren. Van een situatie als aan de orde in het arrest St. Kitts (EHRM 2 mei 1997, D versus United Kingdom) of het arrest Bensaid (EHRM 6 februari 2001, Bensaid versus United Kingdom) is bij verzoeker geen sprake, omdat in die zaken individuele kenmerken waren gesteld en gebleken. Evenmin is sprake van een situatie als aan de orde in het arrest van 17 juli 2008 (N.A. tegen United Kingdom). In dit arrest is door het EHRM overwogen dat individuele kenmerken niet zijn vereist als sprake is van een zeer uitzonderlijke situatie (most extreme case) van algemeen geweld in het land van herkomst. In dat geval kan de enkele omstandigheid dat iemand bij terugkeer wordt blootgesteld aan dat geweld voldoende zijn om een schending van artikel 3 EVRM Pro aan te nemen. Niet valt echter in te zien hoe de situatie in Haïti, hoe moeilijk ook, kan worden gelijkgesteld met een situatie van algemeen geweld in een land. Ook in de door verzoeker aangehaalde interim measure van 19 november 2009 was sprake van individuele factoren, te weten het feit dat het een moeder met een kind van nog geen jaar betrof, die in Nederland zonder opvang dreigden te geraken. Verzoekers situatie is daarmee niet te vergelijken. Verzoeker had opvang in Haïti doch heeft die opvang verlaten, omdat er in zijn beleving sprake was van hekserij.
Ook de overige grieven van verzoeker worden verworpen. Niet valt in te zien op welke grond verweerder verzoeker uitstel van vertrek zou moeten geven. Een specifiek uitstel van vertrek beleid is niet ingesteld voor Haïti en ook overigens ontbreekt een wettelijke of beleidsmatige basis voor een dergelijk uitstel. Dat verzoeker door de Nederlandse autoriteiten in het kader van de overeenkomst van Dublin zou moeten worden overgedragen aan Frankrijk is een stelling van verzoeker die de rechtbank evenmin onderschrijft. Verzoeker heeft in Nederland asiel aangevraagd en uit het bestreden besluit blijkt dat Nederland de verantwoordelijkheid voor verzoekers asielaanvraag op zich heeft genomen. Een zogeheten Dublinclaim op een ander land, zo deze al gelegd zou kunnen worden, is dan niet meer aan de orde.
2.7. Verweerder heeft derhalve terecht de aanvraag van verzoeker om een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b Vw 2000 afgewezen.
2.8. Nu nader onderzoek naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, wordt het beroep met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, Awb ongegrond verklaard.
2.9. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 Awb Pro.
2.10. Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep, geregistreerd onder nummer Awb 10/10925 ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening, geregistreerd onder nummer Awb 10/10927 af.
Aldus gegeven door mr. G. Laman en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. H.W. Wind als griffier op 8 april 2010.
de griffier
de rechter
Tegen de uitspraak inzake het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Tegen de uitspraak in de bodemzaak kunnen partijen binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw Pro 2000 dient het beroepschrift, in aanvulling op de vereisten gesteld in artikel 6:5 Algemene Pro wet bestuursrecht, één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb Pro is niet van toepassing.
Afschrift verzonden op: