ECLI:NL:RBSGR:2010:BM2047
Rechtbank 's-Gravenhage
- Kort geding
- R.J. Paris
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot verbod uitlevering aan Bosnië wegens vermeende schending EVRM
Eiser werd in 2007 aangehouden op grond van een uitleveringsverzoek van Bosnië-Herzegovina wegens verdenking van oorlogsmisdrijven. Na diverse procedures, waaronder een advies van de uitleveringskamer en een arrest van de Hoge Raad, stond de minister de uitlevering toe. Eiser voerde aan dat hij onschuldig was en dat uitlevering zou leiden tot schendingen van zijn rechten onder het EVRM, met name artikel 3 (verbod op onmenselijke behandeling), artikel 6 (recht op een eerlijk proces) en artikel 8 (recht op familieleven).
De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende gemotiveerd had ten aanzien van het aanvullende bewijs, maar dat deze omissie niet leidde tot een onrechtmatige daad jegens eiser. De voorzieningenrechter stelde vast dat het aanvullende bewijs niet voldoende was om onschuld onverwijld aan te tonen en dat het vermoeden van schuld bleef bestaan. Daarnaast was onvoldoende aannemelijk gemaakt dat uitlevering zou leiden tot flagrante schendingen van EVRM-rechten. De minister van Buitenlandse Zaken had bovendien bevestigd dat de detentieomstandigheden in Bosnië verbeterd waren en dat de Nederlandse ambassade regelmatig contact met gedetineerden kan onderhouden.
De rechtbank concludeerde dat de vorderingen van eiser om uitlevering te verbieden, ook op grond van dreigende schendingen van artikel 3 en Pro 8 EVRM, niet konden worden toegewezen. De subsidiaire eis om garanties te verkrijgen over de duur van het voorarrest en compensatie werd eveneens afgewezen. Eiser werd veroordeeld in de kosten van het geding.
Uitkomst: De vorderingen van eiser tot verbod op uitlevering aan Bosnië worden afgewezen.