ECLI:NL:RBSGR:2010:BM3139

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
28 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 10/9772 en 10/9776
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 50 Vw 2000Art. 72 lid 3 Vw 2000
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting naar Griekenland in vreemdelingenzaak

Verzoekers hebben asielaanvragen ingediend die zijn afgewezen omdat Griekenland verantwoordelijk is voor de behandeling. Zij hebben beroep ingesteld en verzocht om voorlopige voorzieningen zodat zij niet worden uitgezet voordat op het beroep is beslist.

De voorzieningenrechter constateert dat de uitspraken op de beroepen niet voor de overdrachtsdatum aan Griekenland worden verwacht. Het belang van verzoekers om in Nederland te blijven tot de behandeling van hun voorlopige voorzieningen zwaarder weegt dan het belang van verweerder om hen snel over te dragen.

Daarom wordt verweerder verboden maatregelen te nemen om verzoekers buiten Nederland te verwijderen tot vier weken na verzending van de uitspraken op de beroepen. Het verzoek om te bepalen dat verzoekers niet mogen worden staandegehouden op 17 mei 2010 wordt afgewezen omdat de brieven van verweerder geen formele besluiten zijn.

Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van verzoekers. De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage op 28 april 2010.

Uitkomst: Verweerder wordt verboden verzoekers uit te zetten tot vier weken na uitspraak op hun beroepen, maar het verbod op staandehouding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE
Nevenzittingsplaats Zutphen
Sector Bestuursrecht
Voorzieningenrechter
Reg.nrs.: AWB 10/9772 en 10/9776
Uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening in het geding tussen:
[verzoeker A]
geboren op [1989],
van Afghaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
[verzoeker B]
geboren op [1993],
Van Afghaanse nationaliteit,
V-nummer [nummer],
verzoekers,
gemachtigde: mr. V. Senczuk, advocaat te Utrecht,
en
de Minister van Justitie,
(voorheen: Staatssecretaris van Justitie),
verweerder.
1. Procesverloop
Op 29 juli 2009 hebben verzoekers aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluiten van 12 maart 2010 heeft verweerder de aanvragen afgewezen omdat Griekenland volgens verweerder verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvragen.
Tegen die besluiten is namens verzoekers beroep ingesteld bij brieven van 15 maart 2010. Verzoekers mogen de behandeling van die beroepen niet in Nederland afwachten. Bij verzoekschriften van 15 maart 2010 is daarom verzocht de voorlopige voorzieningen te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op de beroepen is beslist.
Bij brief van 21 april 2010 hebben verzoekers aangegeven dat verweerder blijkens brieven van 13 april 2010 voornemens is hen op 26 mei 2010 doch uiterlijk op 29 juni 2010 over te dragen aan de Griekse autoriteiten. In genoemde brieven van verweerder is tevens aangegeven dat verweerder de Vreemdelingenpolitie Utrecht heeft verzocht verzoekers op 17 mei 2010 staande te houden. Tegen deze brieven is namens verzoekers bezwaar gemaakt.
Namens verzoekers is verzocht bij voorlopige voorziening te bepalen dat verzoekers niet mogen worden staandegehouden noch overgedragen mogen worden aan de Griekse autoriteiten.
De voorzieningenrechter heeft het onderzoek gesloten met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
2. Overwegingen
2.1 De voorzieningenrechter stelt vast dat wordt voldaan aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.
2.2 De voorzieningenrechter overweegt dat de uitspraken op de beroepen niet worden voorzien voor de uiterlijke datum van overdracht van verzoekers aan de Griekse autoriteiten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van verzoekers om de behandeling van hun voorlopige voorzieningen in Nederland af te wachten zwaarder dan het belang van verweerder om hen op korte termijn aan de Griekse autoriteiten over te dragen.
2.3 Bij afweging van alle betrokken belangen bestaat derhalve aanleiding het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen in zoverre dat verweerder zich dient te onthouden van maatregelen om verzoekers buiten het grondgebied van Nederland te verwijderen tot vier weken na de verzending van de uitspraken op de beroepschriften.
2.4 De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding te bepalen dat verzoekers (op 17 mei 2010) niet mogen worden staandegehouden op grond van artikel 50 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000). Hierbij acht de voorzieningenrechter van belang dat de brieven van verweerder van 13 april 2010 niet kunnen worden aangemerkt als besluiten in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb noch als handelingen jegens verzoekers als zodanig waartegen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend, als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vw 2000. De verzoeken komen in zoverre dan ook niet voor toewijzing in aanmerking.
2.5 Er bestaat aanleiding voor veroordeling van verweerder in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken.
3. Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst de verzoeken toe;
- bepaalt dat verweerder zich dient te onthouden van maatregelen om verzoekers buiten het grondgebied van Nederland te verwijderen tot vier weken na de verzending van de uitspraken op de beroepen;
- wijst de verzoeken voor het overige af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 874,00, te betalen aan verzoekers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.G.J. Welbergen. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 april 2010.