ECLI:NL:RBSGR:2010:BM5557
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- C.C. Dedel-van Walbeek
- Rechtspraak.nl
Beoordeling maximumprijs geneesmiddel Eprex en vergelijkbaarheid biosimilars
De zaak betreft een beroep tegen het besluit van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport tot vaststelling van de maximumprijzen voor het geneesmiddel Eprex en de betrokken biosimilars. Eiseres betwistte de systematiek van prijsbepaling per hoeveelheid werkzame stof per milliliter en stelde dat de berekening per wegwerpspuit had moeten plaatsvinden. Daarnaast voerde zij aan dat de biosimilars niet als vergelijkbare geneesmiddelen konden worden aangemerkt vanwege verschillen in productie en glycosylatie.
De voorzieningenrechter overwoog dat de gehanteerde systematiek van prijsbepaling per milliliter in lijn is met wetenschappelijke inzichten en Europese richtlijnen, waarbij de sterktebepaling per milliliter het meest duidelijk is voor vervanging en omrekening. De totale hoeveelheid werkzame stof per spuit is relevant voor het therapeutisch effect, maar niet voor de samenstelling en prijsvaststelling.
Ten aanzien van de biosimilars stelde de rechtbank vast dat alle geneesmiddelen epoëtine alfa als werkzame stof hebben met dezelfde aminozuurvolgorde, ondanks mogelijke verschillen in glycosylatie. De WHO-classificatie en toelating als biosimilars duiden op klinische en therapeutische uitwisselbaarheid. Daarom zijn deze middelen vergelijkbare geneesmiddelen in de zin van de Wet geneesmiddelenprijzen.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vaststelling van de maximumprijzen voor Eprex en biosimilars wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.