Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM8904

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
21 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
368985 / FT-RK 10-1432
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 lid 4 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tot opheffing loonbeslag bij insolventierechter

Verzoeker heeft bij de rechtbank 's-Gravenhage een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 287 lid 4 Faillissementswet Pro, gericht op opheffing van een loonbeslag gelegd door een schuldeiser namens Woonstichting Vidomes.

De rechtbank overweegt dat opheffing van beslag een constitutieve beslissing is die primair aan de bodemrechter is voorbehouden en slechts in uitzonderlijke gevallen door de voorzieningenrechter kan worden getroffen. De insolventierechter heeft volgens de wet geen bevoegdheid om opheffing van beslag te gelasten; alleen schorsing of verbod van tenuitvoerlegging is mogelijk.

Verzoeker heeft geen spoedeisend belang gesteld of aannemelijk gemaakt, noch is gebleken dat de loonbeslaglegging zodanig ernstig is dat een voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. De bij het verzoek overgelegde stukken tonen aan dat verzoeker voldoende loon overhoudt om in het levensonderhoud te voorzien en verzekerd blijft voor ziektekosten.

Daarom wijst de rechtbank het verzoek af. Het toelatingsverzoek tot WSNP wordt nog niet inhoudelijk behandeld. Verzoeker kan binnen acht dagen hoger beroep instellen via een advocaat bij het gerechtshof.

Uitkomst: Verzoek tot voorlopige voorziening tot opheffing van loonbeslag wordt afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang en ongeschiktheid insolventierechter.

Uitspraak

rekestnummer: 368985/FT-RK 10.1432
nummer verklaring: LDS0231000234
uitspraakdatum: 21 juni 2010
RECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE
sector civiel recht - enkelvoudige kamer
[verzoeker],
wonende te [adres]
[postcode & woonplaats]
verzoeker,
heeft op 17 juni 2010 een - ongemotiveerd - verzoek ingediend waarin gevraagd wordt om een voorlopige voorziening, als bedoeld in art. 287 lid 4 van Pro de Faillissementswet, te treffen ten aanzien van de schuldeiser, Boiten, Luhrs & van der Lubbe inzake Vidomes. Tevens is een WSNP-verzoekschrift ingediend.
Uit de bij het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening overgelegde stukken blijkt dat in opdracht van Woonstichting Vidomes Leidschendam door Boiten, Luhrs & van der Lubbe loonbeslag is gelegd.
Kennelijk is het verzoeker erom te doen dat het loonbeslag op een of andere manier komt te vervallen.
In artikel 287 lid 4 Fw Pro is bepaald dat de rechtbank in spoedeisende zaken bevoegd is, gelet op de belangen van partijen, een voorlopige voorziening bij voorraad te geven.
Een voorlopige voorziening als de onderhavige, waarbij een spoedeisend belang moet worden gesteld en zo nodig bewezen, moet betrekking hebben op een betrekkelijk korte tijd, namelijk ter overbrugging van de periode tussen het tijdstip van indiening van het toelatingsverzoek en de beslissing daarop. Dat de voorlopige voorziening als een noodvoorziening moet worden beschouwd, blijkt onder meer uit de omstandigheid dat de wet niet voorschrijft dat verzoeker en belanghebbenden worden opgeroepen om op het verzoek tot het treffen van de voorlopige voorziening te worden gehoord.
Voor zover verzoeker met zijn - het zij herhaald: geheel ongemotiveerde verzoek - doelt op opheffing van het gelegde loonbeslag, overweegt de rechtbank als volgt. Opheffing van een beslag door de rechter doet een nieuwe rechtstoestand van het beslagen goed ontstaan. Zo een beslissing van constitutieve aard is uitdrukkelijk voorbehouden aan de bodemrechter en, bij wijze van uitzondering en onder zeer bijzondere omstandigheden, ook aan de voorzieningenrechter. Het systeem van de wet verzet zich ertegen dat bij de insolventierechter om opheffing van een beslag kan worden gevraagd. Slechts de tenuitvoerlegging kan worden geschorst dan wel verboden. In de wetsgeschiedenis is evenmin een aanknopingspunt te vinden voor de bevoegdheid van de insolventierechter om een beslag op te heffen.
Dat betekent dat opheffing van een beslag bij wijze van voorlopige voorziening slechts in een regulier kort geding kan worden gevorderd, bij dagvaarding en slechts door tussenkomst van een advocaat.
Schorsing of verbod van executie van een door een bepaalde, met name genoemde schuldeiser beslagen goed behoort in beginsel wél tot de mogelijkheden, maar zodanig verzoek is niet gedaan. Er bestaat geen enkele aanleiding om zodanig verzoek in het verzoekschrift te lezen, nu daarin geen enkele motivering is opgenomen. Ten overvloede overweegt de rechtbank op dat punt nog als volgt. Enig spoedeisend belang is door verzoeker niet gesteld en evenmin gebleken. Het kan in elk geval niet worden afgeleid uit de bij het verzoek gevoegde brief van [A.] (kennelijk de werkgever van verzoeker). Daarin valt immers te lezen dat de werkgever de beslagvrije voet zal overmaken op verzoekers rekening en dat ook diens premie zorgverzekering zal worden betaald. Verzoeker houdt derhalve voldoende salaris over om - met inachtneming van de wettelijke bepalingen terzake de beslagvrije voet - in zijn levensonderhoud te kunnen blijven voorzien en blijft verzekerd voor ziektekosten. Voor zover verzoeker het oog heeft op schorsing van het gelegde loonbeslag, slaagt het derhalve niet.
Het onderhavige verzoek dient te worden afgewezen.
Op het door verzoeker gedane toelatingsverzoek zal thans nog niet worden beslist.
BESLISSING
De rechtbank:
- Wijst af het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.
Gewezen door mr. D.R. van der Meer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juni 2010 in tegenwoordigheid van K.H.C. Gorter, griffier.
De verzoeker heeft gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak het recht van hoger beroep. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat en procureur worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.