ECLI:NL:RBSGR:2010:BM9244

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
19 mei 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 10/15550
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 106 Vw 2000Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortduring vrijheidsontnemende maatregel en tolkbijstand bij presentatie vreemdeling

Eiser is op 9 januari 2010 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Na eerdere ongegrondverklaringen van beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel, stelde eiser opnieuw beroep in tegen de voortzetting van deze maatregel en vorderde opheffing en schadevergoeding.

De rechtbank behandelde het beroep en overwoog dat de zorgvuldigheid van verweerder niet vereist dat bij elke presentatie van een vreemdeling aan de autoriteiten van het land van herkomst een tolk aanwezig moet zijn, zeker niet indien de medewerkers van de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) de gesproken taal niet verstaan. Het rapport van de Nationale ombudsman over tolkgebruik bij uitgeprocedeerde asielzoekers was niet van toepassing op eiser, die geen uitgeprocedeerde asielzoeker was.

Verder stelde eiser dat hij uit Palestina kwam, maar dit werd niet onderbouwd en de Palestijnse autoriteiten ontkenden dit. Ook was er geen sprake van een beroep op het buiten-schuldbeleid of gevaar bij uitzetting naar Marokko. De rechtbank oordeelde dat de voortzetting van de maatregel gerechtvaardigd was, mede omdat de lp-aanvraag bij de Marokkaanse autoriteiten in onderzoek was genomen en de maatregel nog geen zes maanden duurde.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE
Sector Bestuursrecht
Zittinghoudende te Amsterdam
zaaknummer: AWB 10/15550
V-nr:
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken
in het geding tussen:
[naam] eiser, van (gestelde) Palestijnse nationaliteit,
gemachtigde: mr. drs. A. Hol, advocaat te Haarlem,
en:
de minister van Justitie, verweerder,
gemachtigde: mr. A.H. Kras, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.
Procesverloop
Op 9 januari 2010 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 in bewaring gesteld.
Deze rechtbank en zittingsplaats heeft eerdere beroepen tegen de oplegging dan wel voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel, laatstelijk bij uitspraak van 29 maart 2010, ongegrond verklaard.
Bij beroepschrift van 27 april 2010 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel. Daarbij heeft hij opheffing van de maatregel tot bewaring gevorderd en toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep behandeld ter openbare zitting van 12 mei 2010. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig M. Osman als tolk in de Arabische taal. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
1. Eiser heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd.
Nu verweerder bij faxbericht van 10 mei 2010 heeft laten weten dat de vermelding van het land ‘Egypte’ op het presentatieverslag een kennelijke verschrijving betreft, en eiser wel degelijk bij de Marokkaanse autoriteiten is gepresenteerd, handhaaft eiser niet langer de beroepsgrond dat eiser bij de verkeerde autoriteiten is gepresenteerd. Verweerder heeft evenwel onzorgvuldig gehandeld doordat er tijdens de presentatie bij de Marokkaanse autoriteiten geen tolk aanwezig was. Hierdoor hebben de medewerkers van de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V), die aanwezig waren tijdens de presentatie, het gesprek tussen eiser en de vertegenwoordiger van de autoriteiten niet kunnen volgen, waardoor het gesprek niet is te controleren. Dit is ook relevant voor de terugkoppeling aan eiser. In dit kader verwijst eiser naar het rapport van 27 februari 2007 van de Nationale ombudsman ‘Transparantie in presentaties; Presentaties van uitgeprocedeerde asielzoekers aan buitenlandse vertegenwoordigers’. Verder ontbreekt het zicht op wat de Marokkaanse autoriteiten gaan doen. Eiser heeft geen criminele antecedenten of andere contra-indicaties waardoor de bewaring toch dient voor te duren. De belangenafweging dient in zijn voordeel uit te vallen.
2. Verweerder heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd.
Verweerder heeft voldoende voortvarend gehandeld en het zicht op uitzetting ontbreekt niet. Na de presentatie van eiser op 31 maart 2010 bij de Marokkaanse autoriteiten heeft verweerder op 1 en 20 april 2010 gerappelleerd en op 7 april 2010 en 4 mei 2010 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Volgens het verslag van de presentatie bij de Marokkaanse autoriteiten is de aanvraag om de afgifte van een laissez passer (lp) ten behoeve van eiser in onderzoek genomen. Verder heeft verweerder zorgvuldig gehandeld. Het gesprek tijdens de presentatie dient plaats te vinden tussen eiser en de vertegenwoordiger van zijn veronderstelde land van herkomst. Eiser kan dan alles naar voren brengen. Hierdoor is geen tolk aanwezig tijdens een presentatie. Verder is eiser door de afwezigheid van een tolk niet in zijn belangen geschaad. Het rapport van de Nationale ombudsman is geen voorgeschreven wet of regel. De belangenafweging dient in het voordeel van verweerder uit te vallen.
De rechtbank overweegt het volgende.
3. Het onderhavige beroep is een vervolgberoep tegen de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel. De rechtbank dient te beoordelen of de voortgezette toepassing daarvan sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige beroepsprocedure gerechtvaardigd is te achten.
4. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de door verweerder te betrachten zorgvuldigheid niet mee dat bij iedere presentatie van een vreemdeling bij de vertegenwoordiging van zijn (veronderstelde) land van herkomst een tolk aanwezig dient te zijn, indien de medewerkers van de DT&V de bij de presentatie gesproken taal niet verstaan. In dit geval is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die erop duiden dat de aanwezigheid van een tolk bij de presentatie voor eiser toegevoegde waarde had gehad. In dit verband is van belang dat het hiervoor bedoelde rapport van de Nationale ombudsman alleen uitgeprocedeerde asielzoekers betreft. Gesteld noch gebleken is dat eiser een uitgeprocedeerde asielzoeker is. Hij heeft weliswaar op 11 januari 2010 een asielaanvraag ingediend, maar die heeft hij enkele dagen later weer ingetrokken. Verder is van belang dat de Nationale ombudsman als voordelen van de aanwezigheid van een tolk heeft genoemd dat de aanwezige medewerkers van DT&V kunnen beoordelen of wordt voldaan aan het buiten-schuld-criterium en of tijdens de presentatie zaken aan de orde komen die betrokkenen bij terugkeer in gevaar kunnen brengen. Het een noch het ander doet zich in dit geval voor. Eiser volhardt in zijn verklaring dat hij afkomstig is uit Palestina, zonder dit met stukken te onderbouwen en ondanks de mededeling van de Palestijnse autoriteiten dat hij niet uit Palestina afkomstig is. Gesteld noch gebleken is dat eiser een beroep doet op het buiten-schuldbeleid of dat er sprake zou zijn van gevaar bij uitzetting naar Marokko. Uit de door eiser aangehaalde passage van het rapport van de Nationale ombudsman kan naar het oordeel van de rechtbank voorts niet worden afgeleid dat de directeur van de DT&V de in rechte afdwingbare toezegging heeft gedaan dat altijd een tolk zal worden ingeschakeld in geval de medewerkers van de DT&V de bij de presentatie gesproken taal niet verstaan. De beroepsgrond slaagt niet.
5. Uit het verslag van de presentatie bij de Marokkaanse autoriteiten blijkt voorts dat de lp-aanvraag van eiser in onderzoek is genomen door de Marokkaanse autoriteiten. De beroepsgrond dat het zicht op uitzetting ontbreekt, slaagt dus niet.
6. Nu de maatregel nog geen zes maanden voortduurt en van de kant van eiser geen bijzondere belangen bij opheffing van de maatregel zijn gesteld, heeft verweerder in redelijkheid kunnen oordelen dat de belangenafweging vooralsnog in zijn voordeel uitvalt. Ook deze beroepsgrond wordt verworpen.
7. Na beoordeling van de door of namens eiser naar voren gebrachte beroepsgronden, concludeert de rechtbank dat voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel of de wijze van tenuitvoerlegging niet in strijd is met de wet en dat deze bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is te achten. De rechtbank verklaart het beroep dan ook ongegrond.
8. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 106 van Pro de Vw 2000 of artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Beslissing
De rechtbank
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Fehmers, voorzitter, in tegenwoordigheid van S. Kahraman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2010.
De griffier is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen.
Afschrift verzonden op:
Conc.: SSS
Coll: JK
D: B
VK
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.