ECLI:NL:RBSGR:2010:BM9526
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende voortvarendheid bij uitzetting
Eiser werd op 12 mei 2010 in bewaring gesteld met het doel hem op 20 mei 2010 uit te zetten naar Zweden. De daadwerkelijke uitzetting vond echter pas plaats op 25 mei 2010, nadat de vlucht pas op 17 mei was aangevraagd. Verweerder gaf aan dat er minimaal een week zit tussen het aanvragen van een vlucht en de vluchtdatum.
De rechtbank stelde vast dat verweerder onvoldoende voortvarend had gehandeld om de uitzetting op de voorgenomen datum te realiseren, waardoor de bewaring vanaf 20 mei 2010 onrechtmatig was. Verweerder verwees naar een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak, maar de rechtbank vond deze niet van toepassing omdat die betrekking had op een andere bewaringsgrond.
Daarnaast werd vastgesteld dat de eerdere bewaring van eiser in februari-maart 2010 was opgeheven vanwege een toegewezen voorlopige voorziening, waardoor toen geen zicht op uitzetting bestond. Nu dit beletsel niet meer aanwezig was, was de huidige bewaring op zichzelf niet onrechtmatig.
De rechtbank kende eiser een schadevergoeding toe van €400 voor de vijf dagen onrechtmatige bewaring en veroordeelde verweerder in de proceskosten. Het beroep werd gegrond verklaard.
Uitkomst: De bewaring vanaf 20 mei 2010 was onrechtmatig wegens onvoldoende voortvarendheid bij uitzetting, met toekenning van €400 schadevergoeding.