ECLI:NL:RBSGR:2010:BN1675
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens ontbreken redelijk vermoeden illegaal verblijf
Eiser, een Iraakse vreemdeling, werd op 1 mei 2010 staande gehouden en in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De staandehouding vond plaats nadat hij slapend werd aangetroffen in een portiek of fietsenhok van een bedrijf. De politie handelde op basis van een melding en vermoedde illegaal verblijf. De rechtbank oordeelt dat uit de stukken niet blijkt dat de staandehouding plaatsvond binnen de uitoefening van een politietaak of andere niet-vreemdelingenrechtelijke bevoegdheid, waardoor de bevoegdheid tot controle uitsluitend op artikel 50 Vw Pro 2000 berust.
De rechtbank stelt dat de enkele omstandigheid dat eiser slapend werd aangetroffen geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf oplevert. Hierdoor was de staandehouding onrechtmatig. De daarop volgende inbewaringstelling is eveneens onrechtmatig omdat de belangen van de bewaring niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de geschonden belangen. De rechtbank wijst het beroep toe, beveelt opheffing van de bewaring en kent een schadevergoeding van €3.755 toe voor de onrechtmatig doorgebrachte dagen in bewaring.
Tijdens de procedure werd vastgesteld dat eiser niet voldoende Engels sprak en werd een tolk in de Badini taal ingezet, hoewel ook daar dialectverschillen waren. De rechtbank besloot het onderzoek voort te zetten met deze tolk. De gemachtigde van eiser voerde aan dat er geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf was en dat eiser beschikte over een identiteitspapier, wat door verweerder werd betwist. Verweerder handhaafde de gronden voor bewaring, waaronder het ontbreken van een geldig identiteitspapier en het niet naleven van een vertrektermijn, hoewel eiser geen vertrektermijn was opgelegd.
De rechtbank volgde de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en concludeerde dat de maatregel van bewaring onrechtmatig was. Daarnaast veroordeelde zij verweerder tot betaling van proceskosten van €1.092,50 aan de griffier van de rechtbank.
Uitkomst: De maatregel van vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens onrechtmatige staandehouding en eiser krijgt een schadevergoeding van €3.755 toegekend.