ECLI:NL:RBSGR:2010:BN2240
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Schadevergoeding wegens onrechtmatige voortzetting vreemdelingenbewaring zonder matiging
Eiser, met Indiase nationaliteit, werd op 11 mei 2010 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde eerder het beroep tegen de bewaring ongegrond, maar bij een nieuw beroep op 11 juni 2010 werd ook schadevergoeding gevorderd vanwege voortzetting van de bewaring na 16 juni 2010, wat in strijd was met artikel 59, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
De rechtbank oordeelde dat er voldoende zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn en dat het opleggen van een lichter middel niet aan de orde was. Hoewel eiser meerdere verblijfsaanvragen had ingediend, had verweerder niet binnen de wettelijke termijn beslist, waardoor de voortzetting van de bewaring onrechtmatig werd.
Verweerder stelde dat eiser het risico van bewaring had aanvaard door niet mee te werken aan uitzettingsonderzoeken, maar de rechtbank vond dat dit niet het risico omvatte dat de bewaring onrechtmatig langer zou duren. Daarom werd geen matiging van de schadevergoeding toegepast.
De rechtbank kende een schadevergoeding toe voor 14 dagen onrechtmatige bewaring à €80 per dag, totaal €1120, en veroordeelde verweerder tot betaling van proceskosten van €874. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: De rechtbank kent eiser schadevergoeding toe van €1120 wegens onrechtmatige voortzetting van vreemdelingenbewaring zonder matiging.