ECLI:NL:RBSGR:2010:BN3248

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
2 augustus 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
371837/FT RK 10.1725 en 10.1726
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 lid 1 onder f Faillissementswet
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot toepassing schuldsaneringsregeling afgewezen wegens ontbreken minnelijk traject

Verzoekers hebben op 22 juli 2010 een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Uit de stukken blijkt dat zij zich op 3 maart 2010 bij schuldhulpverlening hebben aangemeld, maar geen minnelijk traject zijn gestart. De schuldenlijsten bevatten onjuiste bedragen, waarna de rechtbank eigen berekeningen maakte van de totale schuldenlast.

De bij het verzoek gevoegde verklaring op grond van art. 285 lid 1 onder Pro f Faillissementswet vermeldt dat het minnelijk traject niet is gestart op advies van de rechtbank vanwege persoonlijke omstandigheden. De rechtbank stelt echter vast dat geen advies is gegeven om het minnelijk traject achterwege te laten en dat persoonlijke omstandigheden onvoldoende reden zijn om het minnelijk traject niet te starten.

De wettelijke vereisten schrijven voor dat bij het ontbreken van een minnelijk traject een met reden omklede verklaring moet worden overgelegd waaruit blijkt dat tevergeefs pogingen zijn gedaan tot een buitengerechtelijke schuldregeling. Omdat deze verklaring ontbreekt, kan het verzoek niet in behandeling worden genomen en wordt het niet-ontvankelijk verklaard.

Verzoekers wordt gewezen op de mogelijkheid om opnieuw een verzoek in te dienen, mits zij dan een geldige verklaring overleggen dat het minnelijk traject tevergeefs is geprobeerd. De rechtbank verklaart het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Verzoek tot toepassing schuldsaneringsregeling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken minnelijk traject en vereiste verklaring.

Uitspraak

rekestnummer: 371837/FT-RK 10.1725 en 10.1726
nummer verklaring: TEY0111000203 en TEY0110901835
uitspraakdatum: 2 augustus 2010
RECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE
sector civiel recht - enkelvoudige kamer
[verzoeker sub 1],
en
[verzoekster sub 2]
beiden wonende te [adres]
[postcode en woonplaats],
verzoekers,
hebben op 22 juli 2010 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
De rechtbank overweegt op grond van de stukken het volgende.
Verzoekers hebben zich op 3 maart 2010 bij de schuldhulpverlening van [A.] aangemeld.
Op 22 juli 2010 is het toelatingsverzoek ingediend, vergezeld van een zogenoemde art. 285 Fw Pro-verklaring, ondertekend door verzoekers en [A.] namens de gemeente [B.]. De bij het verzoekschrift gevoegde schuldenlijsten vermelden een totaalbedrag aan schulden van € 0,30 concurrent en € 0,01 preferent voor verzoeker sub 1 en € 0,04 concurrent en 0,01 preferent voor verzoekster sub 2. De rechtbank neemt aan dat deze bedragen onjuist zijn, en komt op basis van eigen berekeningen aan de hand van de schuldenlijst tot een totale schuldenlast van € 24.947,58 voor verzoeker sub 1 en € 3.383,90 voor verzoekster sub 2.
In de art. 285 Fw Pro-verklaring staat vermeld: 'Minnelijk traject gestart? Nee, reden: Op advies van de rechtbank, zie toelichting bij persoonlijke omstandigheden'.
De toelichting bij de persoonlijke omstandigheden van verzoekers vermeldt - voor zover relevant - het volgende: 'De heer staat open voor behandeling en heeft begeleiding van diverse instanties, onder andere de Waag voor agressietherapie, de reclassering, reïntegratieconsulent, begeleiding via jeugdzorg en GGZ. De heer is erg gemotiveerd om te werken aan zijn problematiek en grijpt dan ook alle kansen aan om zijn financiële situatie en zijn persoonlijke situatie te verbeteren. De heer is bewust van de keuzes die hij hiervoor moet maken en wil zich volledig hiervoor inspannen. De heer heeft een hypotheek met een overwaarde. De maandelijkse lasten zijn dusdanig laag dat verhuizen geen verlaging van de vaste lasten zal brengen. Daarnaast is verhuizing voor de stabiliteit en rust in het gezin ten strengste af te raden. Op advies van de rechtbank in deze situatie een WSNP aanvragen, zodat de rechter beslist over deze specifieke situatie.'
Art.285 lid 1 onder Pro f van de Faillissementswet bepaalt dat als er geen buitenrechtelijke schuldregeling tot stand gekomen is, door of namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van de woon- of verblijfplaats van de schuldenaar, een met reden omklede verklaring wordt afgegeven dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een dergelijke regeling te komen.
Het minnelijk traject is niet gestart. Er is geen verklaring als bedoeld in art. 285 lid 1 onder Pro f Fw bijgevoegd. Zonder een verklaring dat de schuldenaar tevergeefs pogingen heeft ondernomen om met zijn schuldeisers tot een minnelijk vergelijk te komen kan de regeling evenwel niet van toepassing worden verklaard (Kamerstukken 11, vergaderjaar 1997/1998, 25672, nr.3 ). Het verzoek kan daarom niet in behandeling worden genomen, nu het niet aan de wettelijke eisen voldoet.
Wat betreft de door verzoekers aangevoerde redenen om het minnelijk traject niet te starten, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt allereerst vast dat zij geen advies heeft gegeven over het aanvragen van toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De verwijzing van verzoekers naar hun persoonlijke omstandigheden vormt voorts onvoldoende reden om het minnelijk traject, met als doel het bereiken van een buitengerechtelijke schuldregeling, in het geheel niet te starten. Niet valt in te zien waarom verzoekers - al dan niet onder begeleiding van hulpverleners - niet een aanbod aan hun schuldeisers zouden kunnen doen om tot een akkoord te komen. Uit de bij de aanvraag gevoegde stukken blijkt immers dat verzoekers zeer welwillend zijn om uit de schulden te geraken en in staat zijn om gemaakt afspraken correct na te komen.
Ter voorlichting van verzoekers merkt de rechtbank nog op dat zij opnieuw een verzoek kunnen doen om tot de schuldsaneringsregeling te worden toegelaten. Daartoe is dan wel vereist dat er, als er geen minnelijke regeling tot stand gekomen is, door of namens het college van burgemeester en wethouders tegelijk met het verzoekschrift een met reden omklede verklaring wordt ingediend waaruit blijkt dat verzoekers tevergeefs poging(en) hebben ondernomen om met hun schuldeisers tot een minnelijk vergelijk te komen en dat uit die poging(en) is gebleken dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot zo een regeling te komen.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal niet-ontvankelijk worden verklaard.
BESLISSING
De rechtbank:
- Verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling
Gewezen door mr. D.R. van der Meer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 augustus 2010 in tegenwoordigheid van K.H.C. Gorter, griffier.
De schuldenaar heeft gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak het recht van hoger beroep. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat en procureur worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.