Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN3269

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
27 juli 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
370376/FT-EA 10.264
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.J.M. Slot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 FwArt. 3:13 BWArt. 18 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek eigen faillietverklaring wegens misbruik van bevoegdheid bij gebrek aan actief

Verzoeker heeft een verzoek tot eigen faillietverklaring ingediend op grond van een schuld van €31.924,18 en een aanvullende fraudevordering van €21.000,-. Hij heeft geen bezittingen en ontvangt een bijstandsuitkering. Zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling is eerder afgewezen.

De rechtbank overweegt dat de Faillissementswet vereist dat er een actief moet zijn om de kosten van het faillissement te bestrijden, waaronder de curatorkosten. Verzoeker heeft verklaard dat er geen vermogen is en dat ook niet te verwachten is dat dit zal veranderen.

De rechtbank stelt dat het belang van verzoeker om hulp te krijgen via faillissement niet een door de wet beschermd belang is. Gezien het ontbreken van een actief en het risico op niet verhaalbare curator kosten, is er sprake van misbruik van bevoegdheid. Daarom wijst de rechtbank het verzoek af, conform eerdere jurisprudentie.

Uitkomst: Het verzoek tot eigen faillietverklaring wordt afgewezen wegens misbruik van bevoegdheid en gebrek aan actief.

Uitspraak

rekestnummer: 370376/FT-EA 10.264
uitspraakdatum: 27 juli 2010
RECHTBANK 's-GRAVENHAGE
sector civiel recht – enkelvoudige kamer
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1980
wonende te [adres], [postcode en woonplaats]
verzoeker,
heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend strekkende tot eigen faillietverklaring.
Het verzoekschrift is op 13 juli 2010 behandeld in raadkamer. Verzoeker is daarbij verschenen en gehoord.
Op basis van de eigen aangifte met bijlagen en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht wordt van het volgende uitgegaan.
Op het door verzoeker ondertekende formulier eigen aangifte faillietverklaring staat een totaal bedrag aan schulden vermeld van € 31.924,18. Ter zitting heeft hij aangegeven dat er daarnaast nog een fraudevordering van de Gemeente Den Haag ad € 21.000, - bestaat.
Verzoeker is samenwonend met mevrouw [A.] en hun dochter van 9 jaar. Zij ontvangen een bijstandsgezinsuitkering. Verzoeker is afgekeurd en neemt deel aan een re-integratietraject.
Verzoeker heeft desgevraagd verklaard dat hij van een faillissement verwacht dat hij hulp krijgt en mogelijk daarna kan worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Het Hof ’s-Gravenhage heeft zijn verzoek om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling namelijk dit jaar afgewezen.
Verzoeker heeft aangegeven dat hij geen bezittingen/baten heeft. Zijn advocaat heeft hem aangeraden een verzoek strekkende tot faillietverklaring te doen.
De rechtbank overweegt als volgt.
1. Krachtens artikel 1 Faillissementswet Pro (hierna: Fw) kan een schuldenaar die in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen op eigen aangifte in staat van faillissement verklaard worden.
2. Nu er volgens verzoeker geen bezittingen/baten zijn en evenmin te verwachten is dat die zullen komen mag er redelijkerwijs van worden uitgegaan dat er geen actief is of komt om de kosten van een faillissement, waaronder de kosten van de curator, te bestrijden.
3. Bij de beoordeling van het gedane verzoek (de eigen aangifte) en het belang van verzoeker bij de uitoefening van de bevoegdheid daartoe neemt de rechtbank het volgende in overweging.
a. Het algemene uitgangspunt en stelsel van de Fw gaat uit van een: verdeling van het vermogen onder de gezamenlijke schuldeisers. Daaruit wordt afgeleid dat er steeds sprake moet zijn van meerdere schuldeisers (pluraliteit) doch impliciet wordt daarmee ook aangegeven dat er (enig) vermogen moet zijn of komen ter verdeling.
b. Dit uitgangspunt is ook terug te vinden in artikel 18 Fw Pro dat er van uit gaat dat de schuldenaar verplicht is aan te tonen dat er voldoende baten zijn ingeval aangifte gedaan wordt nadat een eerder faillissement is opgeheven bij gebrek aan baten.
4. Verzoeker heeft zelve verklaard dat er geen vermogen is. Dit wijkt wezenlijk af van de situatie dat schuldeisers een verzoek tot faillietverklaring indienen, in welk geval conform de uitspraken van de HR (10-11-2000) het in beginsel zo is dat een curator daartoe een onderzoek instelt en het de rechter pas daarna vrijstaat een beslissing te nemen.
5. Verzoeker heeft gesteld dat het belang bij het uitspreken van een faillissement en benoeming van een curator is gelegen in het feit dat hij hulp krijgt. Hij ziet geen andere oplossing dan een faillissement. Verzoeker blijft daarbij in - en ondanks - de wetenschap dat na een opheffing van het faillissement wegens gebrek aan baten de schuldensituatie ongewijzigd is (gebleven), temeer daar er ook volgens verzoeker geen aanleiding is te veronderstellen dat er een akkoord bewerkstelligd kan worden.
6. De rechtbank acht het door verzoeker gestelde belang geen door de Faillissementswet beschermd belang. Tegen de achtergrond van het hier hiervoor overwogene concludeert de rechtbank dat er sprake is van een onevenredigheid tussen dat belang van verzoeker enerzijds en het belang van een curator verschoond te blijven van niet verhaalbare kosten; gelet op het bepaalde ik artikel 3:13 BW Pro is sprake van misbruik van bevoegdheid hetgeen leidt tot afwijzing.
7. De rechtbank blijft aldus bij eerdere uitspraken (11-04-2007 en 27-09-09) en uitspraken van andere rechtbanken die dezelfde afwegingen maakten.
BESLISSING
De rechtbank:
- wijst af het verzoek tot faillietverklaring van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1980
wonende te [adres], [postcode en woonplaats].
Gewezen door mr. A.J.M. Slot en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 juli 2010 in tegenwoordigheid van mr. S. Alkema-Notting, griffier.
Tegen deze uitspraak kan degene die is verschenen en aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof te ’s-Gravenhage.