ECLI:NL:RBSGR:2010:BN3399
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bezwaartermijn bij nihil-aangifte omzetbelasting en tijdigheid suppletieaangifte
Eiseres, een onderneming, diende op 21 maart 2008 een nihil-aangifte omzetbelasting in met uitstel tot 31 maart 2008. Op 9 juni 2008 diende zij een suppletieaangifte in voor een teruggave van € 87.161. Verweerder kwalificeerde deze suppletieaangifte als een bezwaar tegen de oorspronkelijke aangifte en verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn.
De rechtbank stelt vast dat de bezwaartermijn van zes weken, zoals bepaald in artikel 6:7 Awb Pro, bij een nihil-aangifte moet worden gerekend vanaf de uiterste betaaldag, hier 31 maart 2008. Dit betekent dat de termijn eindigde op 12 mei 2008. De suppletieaangifte van 9 juni 2008 is daarmee te laat ingediend.
Eiseres voerde aan dat de suppletieaangifte als een aanvulling op de oorspronkelijke aangifte moest worden gezien en dat deze als bezwaar kon gelden. De rechtbank wijst dit af omdat de wet geen aanslag of beschikking volgt op een nihil-aangifte en de suppletieaangifte niet als bezwaar kan worden aangemerkt.
Daarnaast stelde eiseres dat de verschillende termijnen voor teruggaafverzoeken voor binnen- en buitenlandse ondernemers discriminatoir zijn. De rechtbank oordeelt dat deze ongelijke behandeling binnen de beoordelingsvrijheid van de wetgever valt en geen verboden discriminatie oplevert.
Op grond van deze overwegingen verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.