ECLI:NL:RBSGR:2010:BN3906
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- B.C. Punt
- D.H. baron von Maltzahn
- W.G. de Boer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot vaststelling Nederlandse nationaliteit na inwerkingtreding TOS Suriname
Verzoekster, geboren in Suriname in 1975 als dochter van een Nederlandse vader, verzocht de rechtbank vast te stellen dat zij de Nederlandse nationaliteit bezit. Zij stelde dat zij vanwege haar minderjarigheid op het moment van inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten (TOS) de Nederlandse nationaliteit had behouden en later in 1994 had geopteerd voor de Nederlandse nationaliteit.
De Staat voerde aan dat verzoekster bij de inwerkingtreding van de TOS automatisch de Surinaamse nationaliteit had verkregen en daardoor de Nederlandse nationaliteit had verloren. Volgens de Staat kon verzoekster niet rechtsgeldig opteren voor de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 6 lid 4 van Pro de TOS.
De rechtbank oordeelde dat verzoekster inderdaad op 25 november 1975 minderjarig was en daardoor de nationaliteit van haar vader volgde, namelijk de Surinaamse. Artikel 6 lid 4 van Pro de TOS biedt alleen een correctiemogelijkheid voor gevallen waarin minderjarigen een andere nationaliteit verkrijgen dan zij zouden hebben gehad als zij meerderjarig waren geweest op het moment van inwerkingtreding. Dit was hier niet het geval. Daarom kon verzoekster niet rechtsgeldig opteren voor de Nederlandse nationaliteit en was zij sinds die datum niet meer Nederlands.
De rechtbank wees het verzoek af en bevestigde dat verzoekster niet de Nederlandse nationaliteit bezit.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het bezit van de Nederlandse nationaliteit wordt afgewezen omdat verzoekster sinds 25 november 1975 niet meer de Nederlandse nationaliteit bezit.