ECLI:NL:RBSGR:2010:BN3923
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- B.C. Punt
- D.H. baron von Maltzahn
- W.G. de Boer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot vaststelling Nederlandse nationaliteit na verstrijken optietermijn
Verzoekster, geboren in Suriname in 1963, vroeg de rechtbank vast te stellen dat zij de Nederlandse nationaliteit bezit. Zij stelde dat zij ten tijde van de Surinaamse onafhankelijkheid in 1975 haar hoofdverblijf in Nederland had en daardoor haar Nederlandse nationaliteit had behouden. Tevens gaf zij aan in 1995 te hebben geopteerd voor de Nederlandse nationaliteit.
De Staat betoogde dat verzoekster bij de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten (TOS) automatisch de Surinaamse nationaliteit had verkregen en daarmee de Nederlandse nationaliteit had verloren. Verder stelde de Staat dat verzoekster niet binnen vijf jaar na haar meerderjarigheid gebruik had gemaakt van de optiemogelijkheid.
De rechtbank oordeelde dat verzoekster minderjarig was bij de inwerkingtreding van de TOS en daardoor de Surinaamse nationaliteit volgde. Door haar huwelijk op 12 oktober 1980 werd zij meerderjarig, waarna zij vijf jaar had om te opteren voor de Nederlandse nationaliteit. Omdat niet was gesteld of gebleken dat zij binnen deze termijn had geopteerd, concludeerde de rechtbank dat verzoekster de Nederlandse nationaliteit had verloren en niet had herwonnen. Het verzoek werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het bezit van de Nederlandse nationaliteit wordt afgewezen omdat de optietermijn is verstreken.