ECLI:NL:RBSGR:2010:BN3933
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.C. Punt
- Rechtspraak.nl
Erkenning van biologisch vaderschap en verkrijging Nederlandse nationaliteit minderjarige
De rechtbank 's-Gravenhage behandelde een verzoek tot vaststelling dat een minderjarige, geboren in Thailand, de Nederlandse nationaliteit bezit. De biologische vader, die niet gehuwd was met de moeder maar met een andere vrouw, had via een Thaise rechtbank toestemming gekregen om de 'legitimacy' van het kind te registreren. Deze registratie, met instemming van de moeder, werd door de rechtbank beoordeeld als vergelijkbaar met een Nederlandse erkenning.
De rechtbank stelde vast dat ondanks het huwelijk van de vader met een andere vrouw, er sprake was van een nauwe persoonlijke betrekking tussen vader en kind, zoals bedoeld in artikel 1:204 lid 1 BW Pro. Dit maakte de erkenning rechtsgeldig. Tevens werd het vaderschap gerechtelijk bewezen met behulp van een DNA-rapport.
Op grond van artikel 4 lid 1 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap en jurisprudentie van de Hoge Raad werd geoordeeld dat de combinatie van postnatale erkenning en gerechtelijk bewijs van verwekkerschap gelijkstaat aan een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Hierdoor verkrijgt de minderjarige de Nederlandse nationaliteit drie maanden na de uitspraak, behoudens beroep.
Uitkomst: De rechtbank stelt vast dat de minderjarige de Nederlandse nationaliteit verkrijgt drie maanden na deze uitspraak.