ECLI:NL:RBSGR:2010:BN4118
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen bewaring vreemdeling wegens zicht op uitzetting
De vreemdeling, een Chinese onderdaan zonder geldig identiteitsbewijs en verblijfplaats, werd in bewaring gesteld op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet Pro 2000 vanwege het vermoeden dat hij zich aan uitzetting zou onttrekken.
De vreemdeling betoogde dat de toezegging van 18 laissez-passers door de Chinese autoriteiten onvoldoende was om te spreken van een reëel zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. De minister van Justitie voerde aan dat deze toezeggingen, waaronder een voor een ongedocumenteerde vreemdeling, juist duiden op bereidheid tot medewerking.
De rechtbank oordeelde dat er voldoende zicht op uitzetting bestaat en dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet kan meewerken aan het verkrijgen van benodigde documenten. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard vanwege voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.