ECLI:NL:RBSGR:2010:BN7826
Rechtbank 's-Gravenhage
- Kort geding
- M.Th. Nijhuis
- Rechtspraak.nl
Afwijzing geldvordering wegens onvoldoende bewijs in kort geding over honorarium
Eiser vordert betaling van €7.000,- honorarium van gedaagden, die twee ondernemingen exploiteren en in Iran een vennootschap hebben opgericht. Partijen spraken op 16 april 2010 een betaling af, bevestigd door eiser via e-mail en factuur. Gedaagden betwisten de opeisbaarheid van de vordering en stellen dat betaling pas volgt na concrete resultaten of definitieve oprichting van de vennootschap.
De voorzieningenrechter benadrukt dat in kort geding terughoudendheid geldt bij geldvorderingen. Er moet een grote mate van waarschijnlijkheid zijn dat de bodemrechter de vordering zal toewijzen, en er moet sprake zijn van spoedeisend belang. De standpunten van partijen staan te veel tegenover elkaar om nu al te bepalen wie gelijk heeft.
Nadere bewijslevering is noodzakelijk, maar past niet binnen de kortgedingprocedure. Daarom is onvoldoende aannemelijk dat de bodemrechter de vordering zal toewijzen. De vordering wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot betaling van €7.000 wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid dat de bodemrechter de vordering zal toewijzen.