ECLI:NL:RBSGR:2010:BN7896
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.H. van Breda
- J.G.J. Roelvink
- E.G. de Jong
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewenstverklaring op grond van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag wegens oorlogsmisdrijven
De eisende partij, een man met de Bosnische nationaliteit, is bij besluit van 17 juli 2009 ongewenst verklaard omdat hem ernstige redenen zijn tegengeworpen op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, waarin wordt gesteld dat hij betrokken zou zijn bij oorlogsmisdrijven. De rechtbank toetst dit besluit en verklaart het beroep ongegrond, waarbij wordt bevestigd dat de toepassing van artikel 1(F) reeds in eerdere procedures is vastgesteld en dat geen nieuwe feiten of omstandigheden tot een ander oordeel leiden.
De rechtbank weegt de aangevoerde nieuwe stukken, waaronder documenten van het ICTY en een boek over de situatie in Bosnië, maar stelt vast dat deze geen afbreuk doen aan de verklaringen van eiser die de grondslag vormen voor de tegenwerping van artikel 1(F). Tevens wordt geoordeeld dat de medische situatie van eiser en zijn angst voor onmenselijke behandeling bij terugkeer naar Bosnië niet leiden tot een schending van artikel 3 EVRM Pro, mede omdat medische voorzieningen in het land van herkomst aanwezig zijn.
Verder oordeelt de rechtbank dat het besluit tot ongewenstverklaring niet in strijd is met artikel 8 EVRM Pro over het gezinsleven, omdat er geen objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in Bosnië of een derde land uit te oefenen, en het algemeen belang zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van eiser. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de rechtbank ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard en het besluit bevestigd.