ECLI:NL:RBSGR:2010:BN9924
Rechtbank 's-Gravenhage
- Kort geding
- M.Th. Nijhuis
- Rechtspraak.nl
Uitlevering aan Kroatië toegestaan ondanks verblijfsvergunning en EU-burgerschap
Eiser, houder van de Bosnische nationaliteit en een verblijfsvergunning in Nederland, werd gevraagd uitgeleverd te worden aan Kroatië wegens betrokkenheid bij de invoer en verkoop van cocaïne in 2000. De rechtbank Alkmaar had eerder de uitlevering toelaatbaar verklaard, en de Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van eiser. Eiser voerde aan dat hij als EU-burger en houder van een verblijfsvergunning gelijk behandeld moet worden als een Nederlander, die onder de Uitleveringswet alleen kan worden uitgeleverd met een terugkeergarantie.
De voorzieningenrechter overwoog dat EU-burgers niet zonder meer gelijkgesteld kunnen worden aan Nederlanders, omdat in dit geval een redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat voor ongelijke behandeling. De feiten waarop het uitleveringsverzoek is gebaseerd, zijn gepleegd buiten Nederland, waardoor Nederland geen rechtsmacht heeft om eiser te vervolgen. Dit in tegenstelling tot een Nederlander die wel in Nederland vervolgd kan worden. Daarom behoeft de terugkeergarantie niet te worden bedongen.
Eiser stelde ook dat uitlevering zonder terugkeergarantie een schending van zijn recht op familie- en gezinsleven (artikel 8 EVRM Pro) zou zijn. De rechtbank oordeelde dat de inmenging in het familie- en gezinsleven gerechtvaardigd is, omdat de andere ouder en het kind niet door overheidsmaatregelen worden bedreigd met scheiding. De vorderingen van eiser werden afgewezen en hij werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek van eiser tot verbod op uitlevering af en staat uitlevering aan Kroatië toe zonder terugkeergarantie.