ECLI:NL:RBSGR:2010:BO0829

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
29 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
374318 / HA RK 10-422 Wrakingsnummer 17/2010
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 39 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek wegens te late indiening

Verzoekster diende elf weken na het wijzen van een tussenvonnis een schriftelijk verzoek tot wraking in tegen de rechter die het vonnis had gewezen. Volgens artikel 37 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet een wrakingsverzoek worden ingediend zodra de feiten en omstandigheden bekend zijn.

De rechtbank stelde vast dat verzoekster omstreeks de datum van het vonnis bekend had moeten zijn met de feiten, maar het wrakingsverzoek pas elf weken later indiende zonder geldige reden voor de vertraging. De rechtbank concludeerde daarom dat verzoekster niet-ontvankelijk is in haar verzoek.

Tijdens de mondelinge behandeling was verzoekster niet aanwezig en haar verzoek om aanhouding werd afgewezen. De rechtbank bepaalde dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek.

De beslissing werd in het openbaar uitgesproken door drie rechters en griffier op 29 september 2010.

Uitkomst: Verzoekster is niet-ontvankelijk verklaard in haar wrakingsverzoek wegens te late indiening.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE – MEERVOUDIGE WRAKINGSKAMER
Wrakingsnr. 17/2010
rekestnummmer: 374318/ HA RK 10-422
datum beschikking: 29 september 2010
BESCHIKKING
op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 37 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in de zaak van:
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
verzoekster;
tegen
Mr. [X],
vice-president van de rechtbank ’s-Gravenhage, sector civiel recht.
1. Voorgeschiedenis en het procesverloop
1.1 Op 9 juni 2010 heeft mr. [X] vonnis gewezen in een zaak tussen verzoekster en [A] en [B]. Het betreft een tussenvonnis.
1.2 Bij brief van 25 augustus 2010, bij de rechtbank ingekomen op 26 augustus 2010, heeft verzoekster een verzoek tot wraking van mr. [X] ingediend.
1.3 Op 15 september 2010 heeft mr. [X] haar schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek ingediend.
2. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek
2.1 Op 27 september 2010 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Verzoekster is niet verschenen. Zij heeft een brief, gedateerd 26 september 2010, afgegeven bij de rechtbank waarin zij verzoekt om aanhouding van de zaak. Dit verzoek is niet gehonoreerd. Mr. [X] is evenmin verschenen.
2.2 Als derde belanghebbende is mevrouw [B] ter zitting verschenen.
3. Het standpunt van verzoekster
3.1 Verzoekster stelt - verkort weergegeven - dat de door mr. [X] gebruikte bewoordingen in haar vonnis onnodig grievend zijn voor verzoekster. Hieruit blijkt dat mr. [X] geen neutrale houding heeft aangenomen en dat de rechterlijke onpartijdigheid schade kan lijden, aldus verzoekster.
4. Het standpunt van mr. [X]
4.1 Mr. [X] heeft in haar brief van 15 september 2010 de wrakingskamer medegedeeld dat zij niet in de wraking berust. Ten eerste is het wrakingsverzoek te laat ingediend, waardoor verzoekster niet-ontvankelijk is in haar verzoek. Ten tweede behelzen de door verzoekster aangehaalde grievende bewoordingen inhoudelijke rechtsoordelen. Deze kunnen dan ook niet tot wraking leiden, aldus - verkort weergegeven - mr. [X].
5 Het standpunt van [A] en [B]
5.1 [A] en [B] hebben zich op het standpunt gesteld dat verzoekster niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat het verzoek tot wraking te laat is ingediend.
6 Beoordeling
6.1 De rechtbank stelt voorop dat artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorschrijft dat het wrakingsverzoek moet worden gedaan, zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
6.2 Nu dit door verzoekster niet is betwist, stelt de rechtbank vast dat verzoekster omstreeks 9 juni 2010 bekend had moeten zijn met het onderhavige vonnis. Zij heeft echter pas op 26 augustus 2010, derhalve elf weken na het wijzen van het vonnis, het verzoek tot wraking ingediend bij de rechtbank. Door het laten verstrijken van een dermate lange termijn is geen sprake meer van het doen van een verzoek zodra de feiten en omstandigheden aan verzoekster bekend zijn geworden. Verzoekster heeft geen omstandigheden aangevoerd die de late indiening van het wrakingsverzoek rechtvaardigen. Als gevolg daarvan is verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek;
- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:
* verzoekster;
* [A] en [B] p/a hun raadsvrouw, mr. C. Heijs te Groningen;
* mr. [X].
Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 september 2010 door mrs. D. Aarts, F.J. Verbeek en H.M.D. de Jong, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.B.H. Nguyen als griffier.