ECLI:NL:RBSGR:2010:BO1955
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering wegens onrechtmatige beslaglegging door Staat
Eiser vorderde een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig had gehandeld door het leggen en voortduren van strafrechtelijk beslag op zijn goederen, waaronder voertuigen en contant geld. Hij stelde dat het beslag disproportioneel was omdat geen schulden ter grootte van de waarde van de in beslag genomen zaken zouden ontstaan en dat geen geldboete of verbeurdverklaring was opgelegd.
De rechtbank oordeelde dat het beslag was gelegd in het kader van een strafrechtelijk financieel onderzoek wegens verdenking van strafbare feiten, waaronder deelname aan een criminele organisatie en overtreding van de Opiumwet. Eiser was veroordeeld voor medeplegen van een strafbaar feit, waardoor de verdenking niet ten onrechte bestond. Het beslag was daarmee niet onrechtmatig.
De rechtbank hanteerde de ruime maatstaf van artikel 36e lid 3 Sr voor de proportionaliteit van het beslag en vond dat eiser onvoldoende had toegelicht waarom geen vordering ter grootte van de waarde van de in beslag genomen zaken zou kunnen ontstaan. Ook het voortduren van het beslag tot juni 2006 werd niet onrechtmatig geacht, mede gezien de redelijke termijn van drie maanden na het vonnis.
Ten slotte wees de rechtbank de vordering tot schadevergoeding af en veroordeelde eiser in de proceskosten van de Staat.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van eiser af en veroordeelt hem in de proceskosten.