ECLI:NL:RBSGR:2010:BO2660
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting naar Irak wegens ontbreken reëel risico op schending artikel 3 EVRM
Verzoeker, een Iraakse asielzoeker afkomstig uit de provincie Nineveh, heeft bezwaar gemaakt tegen zijn voorgenomen uitzetting naar Irak en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij stelde dat de veiligheidssituatie in Irak, en met name in Nineveh, dusdanig verslechterd is dat terugkeer een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro inhoudt. Verzoeker onderbouwde dit met diverse rapporten en brieven, waaronder van de UNHCR en Amnesty International.
De minister voor Immigratie en Asiel stelde zich op het standpunt dat de situatie niet zodanig is verslechterd sinds de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak F.H. tegen Zweden, en verwees naar het ambtsbericht van oktober 2010. Dit ambtsbericht concludeert dat hoewel de situatie ernstig blijft, het geweldsniveau fluctueert en niet significant is toegenomen sinds januari 2009, ook niet in Nineveh.
De voorzieningenrechter overwoog dat de beoordeling van de feiten en de juridische kwalificatie daarvan aan het bestuur en de rechter toekomt. De UNHCR-rapporten werden als gezaghebbende bronnen erkend, maar de conclusie dat elke asielzoeker uit de genoemde provincies automatisch recht heeft op bescherming werd niet gevolgd. De rechtbank vond onvoldoende bewijs voor een reëel risico op ernstige individuele bedreiging louter vanwege aanwezigheid in Irak.
Gelet op deze overwegingen en het belang van de minister bij de uitzetting, werd het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak staan geen rechtsmiddelen open.
Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen uitzetting naar Irak wordt afgewezen wegens ontbreken van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM.