ECLI:NL:RBSGR:2010:BO2930

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
12 oktober 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
374327 - KG ZA 10-1051
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • M. Th. Nijhuis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 lid 2 VreemdelingenwetArt. 59 lid 1 aanhef en onder a VreemdelingenwetWetboek van StrafvorderingPolitiewetArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot oordeel onrechtmatigheid strafrechtelijk voortraject voorafgaand aan vreemdelingenbewaring

Eiser werd op 14 augustus 2010 staande gehouden en aangehouden wegens het opgeven van een valse naam. Vervolgens werd hij opgehouden voor verhoor en ter beschikking gesteld aan de afdeling vreemdelingenpolitie Utrecht. Op dezelfde dag werd een maatregel van bewaring opgelegd met het oog op uitzetting. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel, dat op 30 augustus 2010 ongegrond werd verklaard. De maatregel werd op 10 september 2010 opgeheven en eiser werd uitgezet.

Eiser vorderde bij de rechtbank een oordeel dat het strafrechtelijk traject voorafgaand aan de vreemdelingenbewaring onrechtmatig was, stellende dat de politie niet bevoegd was tot staande houding en dat het vorderen van het identiteitsbewijs niet noodzakelijk was. De voorzieningenrechter overwoog dat de beoordeling van de rechtmatigheid van het strafrechtelijk traject toekomt aan de strafrechter of een rechter met algemene bevoegdheid, en dat de burgerlijke rechter bevoegd is nu eiser niet langer in bewaring is.

De voorzieningenrechter stelde vast dat een verklaring voor recht niet kan worden gegeven in kort geding, tenzij sprake is van bijzondere spoedeisende omstandigheden. Aangezien de maatregel was opgeheven en eiser niet langer werd vastgehouden, ontbrak het spoedeisend belang. Eiser kon nog een bodemprocedure starten. Daarom werd het verzoek afgewezen.

Eiser werd veroordeeld in de proceskosten, begroot op €1.079, bestaande uit advocaatkosten en griffierecht. Het vonnis werd gewezen door mr. M. Th. Nijhuis en uitgesproken op 12 oktober 2010.

Uitkomst: Verzoek tot oordeel onrechtmatigheid strafrechtelijk voortraject wordt afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector civiel recht - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: 374327 / KG ZA 10-1051
Vonnis in kort geding van 12 oktober 2010
in de zaak van
[eiser],
voorheen verblijvende te [verblijfplaats], [adres],
thans niet meer verblijvende in Nederland,
eiser,
advocaat mr. J.P.M. Denissen te Utrecht,
tegen:
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie),
zetelende te 's-Gravenhage,
gedaagde,
advocaat mr. E.C. Gijselaar te 's-Gravenhage.
1. De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 4 oktober 2010 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
1.1. Eiser is op 14 augustus 2010 omstreeks 04.20 uur staande gehouden door de politie. Vervolgens is hij omstreeks 04.35 uur aangehouden op grond van het opgeven van een valse naam.
1.2. Eiser is op 14 augustus 2010 om 09.00 uur heengezonden en op hetzelfde tijdstip op grond van artikel 50, lid 2, van de Vreemdelingenwet opgehouden voor verhoor en ter beschikking gesteld aan de afdeling vreemdelingenpolitie Utrecht.
1.3. Op 14 augustus 2010 om 14.05 uur is een maatregel van bewaring opgelegd met het oog op uitzetting van eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet.
1.4. Eiser heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen voornoemde maatregel. De rechtbank heeft dat beroep op 30 augustus 2010 ongegrond verklaard.
1.5. De Minister van Justitie heeft op 10 september 2010 voornoemde maatregel opgeheven ter effectuering van de uitzetting van eiser. Eiser is op 10 september 2010 Nederland uitgezet.
2. Het geschil
2.1. Eiser vordert - zakelijk weergegeven - te oordelen dat het strafrechtelijk traject voorafgaande aan de vreemdelingenbewaring onrechtmatig is geweest.
2.2. Daartoe voert eiser aan dat de staande houdende verbalisanten noch op grond van het Wetboek van Strafvordering (WvSv), noch op grond van de Politiewet, bevoegd waren om eiser staande te houden. De verdenking ten aanzien van eiser was immers onvoldoende concreet en objectiveerbaar. Daarnaast was het vorderen van het identiteitsbewijs van eiser niet redelijkerwijs noodzakelijk voor het uitoefenen van de politietaak.
2.3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
3. De beoordeling van het geschil
3.1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de oordeelsvorming over - kort gezegd - de rechtmatigheid van het aan de vreemdelingenbewaring voorafgaande strafrechtelijk voortraject is voorbehouden aan de strafrechter of een rechter met algemene bevoegdheid en niet toekomt aan de vreemdelingenrechter. Nu eiser niet langer in verzekerde bewaring is gesteld en geen strafrechter is aangewezen om over de rechtmatigheid van het strafrechtelijk voortraject te oordelen, is de burgerlijke rechter bevoegd.
3.2. Vervolgens is het de vraag of de voorzieningenrechter eiser in zijn verzoek kan ontvangen. De vordering van eiser ziet op het vaststellen van een rechtstoestand; een verklaring voor recht. Volgens vaste jurisprudentie kan een voorziening in kort geding geen verklaring voor recht omtrent de rechtsverhouding van partijen inhouden. Dit kan uitzondering lijden in geval van bijzondere omstandigheden waarin sprake is van een dusdanig spoedeisend belang dat van eiser niet kan worden gevergd een bodemprocedure af te wachten. Indien een dergelijke uitzondering zich voordoet, kan de voorzieningenrechter een voorlopige verklaring van recht uitspreken.
3.3. Van een dergelijke uitzondering als voornoemd is in het onderhavige geval geen sprake. Immers, vanaf 10 september 2010 is de maatregel tot verzekerde bewaring van eiser opgeheven en wordt de vrijheid van eiser niet langer ontnomen. Daarmee is het spoedeisende karakter van de vordering komen te vervallen. Andere spoedeisende feiten en omstandigheden zijn niet gesteld of gebleken. Daarnaast staat voor eiser de mogelijkheid van een bodemprocedure nog open, teneinde de rechtmatigheid van het strafrechtelijk traject te toetsen.
3.4. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat eiser thans een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, zodat het gevorderde afgewezen dient te worden.
3.5. Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Van een geval als bedoeld in artikel 237 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering om ieder der partijen de eigen kosten te laten dragen, is in het onderhavige geen sprake.
4. De beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het gevorderde af;
- veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.079,--, waarvan
€ 816,-- aan salaris advocaat en € 263,-- aan griffierecht;
- verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Th. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op
12 oktober 2010.
bb/nve