ECLI:NL:RBSGR:2010:BO3259

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
3 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
342605-HA RK 09-354
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.Th. Nijhuis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 lid 2 Verordening (EG) nr. 1896/2006Art. 14 lid 3 sub a) iii en sub b Verordening (EG) nr. 1896/2006Art. 9 lid 2 sub c Uitvoeringswet verordening Europese betalingsbevelprocedure
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek tot heroverweging Europees betalingsbevel wegens te late indiening

Verweerster heeft bij de rechtbank een verzoek tot heroverweging ingediend op grond van artikel 20 lid 2 van Pro Verordening (EG) nr. 1896/2006 betreffende het Europees betalingsbevel. Zij stelde dat het betalingsbevel niet correct aan haar wettelijk vertegenwoordiger was betekend en dat zij het niet eerder had ontvangen. Tevens betwistte zij de hoogte van de vordering.

Eiseres heeft betwist dat het verzoek ontvankelijk is omdat het te laat is ingediend en voerde aan dat er geen sprake is van overmacht of bijzondere omstandigheden. De rechtbank nam het bewijs van betekening, de zogenaamde 'rode kaart', mee in haar overwegingen.

De rechtbank concludeerde dat het verzoek tot heroverweging niet binnen de wettelijke termijn van vier weken na kennisname van het betalingsbevel was ingediend. Hierdoor is het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank wees het verzoek af en bevestigde de uitvoerbaarverklaring van het betalingsbevel.

Uitkomst: Verweerster is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening van het verzoek tot heroverweging van het Europees betalingsbevel.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM,
nevenzittingsplaats
Sector civiel
Beschikking van 3 november 2010 op een verzoek tot heroverweging.
Gezien het aangehecht Europees betalingsbevel van 3 november 2009 met zaaknummer 342605/ HA RK 09-354, met uitvoerbaarverklaring van 7 januari 2010.
1.Bij (ongedateerd) verzoek, ingekomen ter griffie op 23 juni 2010, heeft verweerster verzocht om heroverweging als bedoeld in artikel 20 van Pro de Verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure (verder te noemen: de Verordening).
2.Verweerster voert aan dat de uitvoerbaarverklaring met het Europees Betalingsbevel aan haar is betekend of ter kennis is gebracht op 19 mei 2010. Haar administrateur heeft eerder geen kennis genomen van de betekening van het betalingsbevel. Zij verzoekt daarom heroverweging van het betalingsbevel. Bij de rechter in Italië heeft zij bezwaar aangetekend (de rechtbank neemt aan dat hiermee wordt bedoeld een verzoek tot opschorting). Voorts betwist verweerster de vordering van eiseres, omdat zij niet het gehele bedrag verschuldigd is. Zij is bereid het daadwerkelijk verschuldigde bedrag aan eiseres te voldoen.
3.Bij brief van 2 augustus 2010 heeft R. de Falco namens eiseres gereageerd op het verzoek tot heroverweging. Hij komt primair tot de conclusie dat verweerster niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzoek, omdat de termijn voor het indienen van een heroverwegingsverzoek is verstreken. Subsidiair merkt hij op dat het verzoek dient te worden afgewezen, aangezien het niet is gebaseerd op overmacht of buitengewone omstandigheden. De stelling van verweerster dat zij het betalingsbevel niet heeft ontvangen wordt weersproken door de aanwezigheid van de zogenaamde "rode kaart".
4.In reactie op de door de rechtbank aan verweerster toegezonden kopie van het door de rechtbank ontvangen bewijs van uitreiking (rode kaart), heeft verweerster bij op 4 oktober 2010 per fax ontvangen brief bericht dat de aangetekende zending niet door haar wettelijk vertegenwoordiger is ontvangen. De Italiaanse rechter heeft schorsing van de procedure bevolen, aldus verweerster.
5.De rechtbank overweegt als volgt.
6.De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat het verzoek tot heroverweging is gebaseerd op artikel 20 lid 2 van Pro de Verordening. Verweerster stelt zich immers op het standpunt dat niet aan haar wettelijk vertegenwoordiger is betekend. Zij neemt tot uitgangspunt dat het betalingsbevel niet overeenkomstig artikel 14 van Pro de Verordening is betekend (artikel 20 lid 1 onder Pro a van de Verordening), aangezien zij zich beroept op schending van artikel 14 derde Pro lid sub a) iii en sub b van de Verordening. Voorts heeft zij geen gronden naar voren gebracht die nopen tot de toepassing van artikel 20 lid 1 onder Pro b van de Verordening. Artikel 9 lid 2 onder Pro c van de Uitvoeringswet verordening Europese betalingsbevelprocedure bepaalt dat het verzoek tot heroverweging in het geval als bedoeld in artikel 20 lid 2 van Pro de Verordening, gedaan moet worden binnen vier weken nadat de daargenoemde grond voor heroverweging aan de verweerder bekend is geworden. Verweerster heeft aangegeven dat het uitvoerbaar verklaarde betalingsbevel op 19 mei 2010 aan haar is betekend of ter kennis is gebracht. Het verzoek tot heroverweging is ingekomen op 23 juni 2010. Dit leidt tot de conclusie dat het verzoek te laat is ingediend. Verweerster dient derhalve in haar verzoek tot heroverweging niet-ontvankelijk te worden verklaard.
BESLISSING:
De rechtbank verklaart verweerster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot heroverweging van het jegens haar uitgevaardigde Europese betalingsbevel.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.Th. Nijhuis en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 november 2010, in tegenwoordigheid van de griffier.