ECLI:NL:RBSGR:2010:BO3551
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- G.H.I.J. Hage
- S. Verheijen
- Chr.H. van Dijk
- Rechtspraak.nl
Reikwijdte van de cao-exceptie voor minimumtarieven aan zelfstandigen zonder personeel
In deze zaak staat centraal of een cao-bepaling die opdrachtgevers verplicht minimumtarieven te betalen aan zelfstandigen zonder personeel (zzp'ers) valt onder de cao-exceptie van artikel 81, eerste lid, EG-Verdrag, die bepaalde cao-afspraken vrijstelt van het kartelverbod. FNV vordert dat de rechtbank verklaart dat het mededingingsrecht zich niet verzet tegen dergelijke cao-bepalingen en dat de publicatie van een NMa-visiedocument hierover onrechtmatig is.
De rechtbank analyseert de Europese rechtspraak, met name de arresten Albany, Brentjes, Drijvende Bokken en Van der Woude, die de cao-exceptie definiëren aan de hand van twee cumulatieve voorwaarden: de cao moet voortkomen uit sociale dialoog en collectieve onderhandelingen, en zij moet rechtstreeks bijdragen aan de verbetering van arbeidsvoorwaarden van werknemers. FNV stelt dat een minimumtarief voor zelfstandigen onder deze uitzondering valt omdat het werknemers beschermt tegen onderbieding.
De rechtbank oordeelt echter dat de bepaling slechts indirect bijdraagt aan arbeidsvoorwaarden van werknemers, omdat zij rechtstreeks betrekking heeft op zelfstandigen die geen werknemers zijn. Ook het subsidiaire betoog dat zelfstandige remplaçanten als maatschappelijk gelijk te stellen kleine zelfstandigen werknemersachtig zijn, wordt verworpen wegens onvoldoende onderbouwing. De rechtbank concludeert dat de cao-exceptie niet van toepassing is op de minimumtariefbepalingen voor zelfstandigen en dat de NMa-visie niet onrechtmatig is.
De vorderingen van FNV worden afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat cao-bepalingen die minimumtarieven voor zelfstandigen zonder personeel vastleggen niet onder de cao-exceptie vallen en wijst de vorderingen van FNV af.