ECLI:NL:RBSGR:2010:BO6179
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring en toekenning schadevergoeding na ongegronde ongewenstverklaring
Eiser, van Iraanse nationaliteit, werd op 9 november 2009 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank toetste eerder de rechtmatigheid van de bewaring tot het sluiten van het onderzoek en richt zich nu op de periode daarna. Vaststaat dat de ongewenstverklaring van eiser onvoldoende gronden had en dat het bezwaar daartegen lang heeft geduurd, terwijl die verklaring zwaar heeft meegewogen bij het voortduren van de bewaring.
Verweerder stelde dat eiser zijn terugkeer actief frustreerde door niet mee te werken, wat meeweegt in de belangenafweging. De rechtbank erkent dat verweerder voldoende inspanningen heeft geleverd om uitzetting te realiseren, maar benadrukt dat de duur van de bewaring, zeker na zes maanden, zwaar weegt. De criminele antecedenten van eiser zijn niet zwaar te noemen, slechts een geldboete wegens winkeldiefstal.
De rechtbank concludeert dat de bewaring vanaf 8 augustus 2010, na negen maanden, onrechtmatig was. Op grond van artikel 106 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 kent zij eiser een schadevergoeding toe van €7.360 voor 92 dagen onrechtmatige bewaring. Tevens worden proceskosten aan eiser toegewezen. Het beroep wordt gegrond verklaard en de Staat veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding en kosten.
Uitkomst: De bewaring van eiser was vanaf negen maanden onrechtmatig en de Staat is veroordeeld tot betaling van €7.360 schadevergoeding.