ECLI:NL:RBSGR:2010:BO6904

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
10 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
380289 / KG ZA 10-1415
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • P.A. Koppen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 SvArt. 80 SvArt. 28 lid 1 Penitentiaire MaatregelArt. 30 lid 1 Penitentiaire Maatregel
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering opheffing of schorsing voorlopige hechtenis ondanks detentieongeschiktheid

Eiser is in voorlopige hechtenis genomen op verdenking van ernstige strafbare feiten en veroordeeld tot gevangenisstraf, waarna hij in hoger beroep ging. Ondanks een onvoorwaardelijke detentieongeschiktheidsverklaring van een inrichtingsarts en een verslechterde medische toestand, verblijft eiser nog steeds in voorlopige hechtenis.

Eiser vordert primair opheffing en subsidiair schorsing van de voorlopige hechtenis, dan wel dat hij deze in zijn thuissituatie mag ondergaan. De Staat voert gemotiveerd verweer en wijst op de strafvorderlijke rechtsgang die exclusief is voor toetsing van voorlopige hechtenis.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgerlijke rechter niet bevoegd is om de rechtmatigheid van de voorlopige hechtenis te toetsen buiten de strafvorderlijke procedure. Ook is er geen wettelijke grondslag voor voorlopige hechtenis in de thuissituatie. Eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard en veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Vordering opheffing of schorsing voorlopige hechtenis afgewezen en eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector civiel recht - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: 380289 / KG ZA 10-1415
Vonnis in kort geding van 10 december 2010
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser,
advocaat mr. T. Kemper te Oss,
tegen:
de Staat der Nederlanden (het ministerie van Veiligheid en Justitie),
zetelend te ’s-Gravenhage,
gedaagde,
advocaat mr. E.G. Fels te ’s-Gravenhage.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘de Staat’.
1. De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 2 december 2010 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
1.1. [eiser] is op 29 september 2009 aangehouden op verdenking van onder meer poging tot doodslag en verkrachting en in voorlopige hechtenis gezet. Op 8 januari 2010 is de voorlopige hechtenis opgeheven en op 22 maart 2010 is de gevangenneming weer bevolen. Op 12 april 2010 is [eiser] bij vonnis van de rechtbank Den Bosch veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar wegens verkrachting. Tegen dit vonnis is hij in hoger beroep gegaan.
1.2. Op 20 april 2010 heeft [inrichtingsarts], inrichtingsarts van de PI Vught, verklaard dat hij [eiser] niet detentiegeschikt acht. Op 23 april 2010 heeft de medisch adviseur bij het ministerie van Justitie verklaard:
“Op dit ogenblik is lijkt situatie, van de heer [eiser], medisch gezien ongeschikt voor een verblijf in een reguliere inrichting. Ik adviseer om betrokkene tijdelijk te laten opnemen in het Justitieel Medisch Centrum (penitentiair ziekenhuis).”
De medisch adviseur heeft op 10 augustus 2010 en 16 november 2010 op basis van nader onderzoek (nogmaals) verklaard dat [eiser] niet detentieongeschikt is.
1.3. Op 29 april 2010, 31 mei 2010, 9 augustus 2010, 17 augustus 2010 en 21 september 2010 zijn verzoeken van [eiser] tot schorsing van zijn voorlopige hechtenis door de raadkamer van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch afgewezen.
2. Het geschil
2.1. [eiser] vordert, primair opheffing en subsidiair schorsing van zijn voorlopige hechtenis, dan wel – meer subsidiair – te bepalen dat [eiser] zijn voorlopige hechtenis in zijn thuissituatie zal mogen ondergaan.
2.2. Daartoe voert [eiser] het volgende aan. Ondanks de onvoorwaardelijke detentieongeschiktheidsverklaring van 20 april 2010 van een inrichtingsarts en het feit dat de medische gesteldheid van [eiser] sindsdien nog verder is verslechterd, verblijft [eiser] nog steeds in voorlopige hechtenis. Dat is onverantwoord. In de penitentiaire inrichtingen waar [eiser] verblijft en heeft verbleven is geen gekwalificeerd personeel aanwezig en wordt meegedeeld dat men hem niet kan behandelen. Door [eiser] in voorlopige hechtenis te houden, begaat de Staat een onrechtmatige overheidsdaad.
2.3. De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
3. De beoordeling van het geschil
3.1. [eiser] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat de Staat jegens hem onrechtmatig handelt. Daarmee is de bevoegdheid van de burgerlijke rechter, in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding, gegeven.
3.2. Voor de beoordeling van het door [eiser] primair en subsidiair gevorderde is de bijzondere, met waarborgen omklede, strafvorderlijke rechtsgang van de artikelen 69 en 80 van het Wetboek van Strafvordering gegeven. Met het gesloten stelsel van wettelijke rechtsmiddelen in het strafrecht is niet verenigbaar dat [eiser] – naast de strafvorderlijke procedure – de gelegenheid zou hebben langs de weg van een vordering tegen de Staat de rechtmatigheid van het voortduren van de voorlopige hechtenis aan de voorzieningenrechter in kort geding ter toetsing voor te leggen. Nu die andere rechtsgang bovendien op korte termijn tot een rechterlijke beslissing kan leiden, is voor een voorziening in kort geding geen plaats, ook niet met een beroep op de spoedeisendheid van de zaak. Dat [eiser] meerdere malen gebruik heeft gemaakt van voornoemde strafvorderlijke procedure en zijn bezwaren tegen de voorlopige hechtenis tot op heden niet hebben geleid tot invrijheidstelling, maakt het voorgaande niet anders.
3.3. Voor zover [eiser] bezwaar maakt tegen het handelen van het medisch personeel in de penitentiaire inrichting, geldt dat hij – na bemiddeling door de medisch adviseur – op grond van de artikelen 28 lid 1 en 30 lid 1 van de Penitentiaire Maatregel een beroepschrift bij de beroepscommissie van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) kan indienen. Deze beroepscommissie wordt beschouwd als een onafhankelijke rechterlijke instantie. Procedures die daarbij aanhangig (kunnen) worden gemaakt, bieden daarom een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang, die de weg naar de burgerlijke rechter afsluit.
3.4. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [eiser] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn primaire en subsidiaire vorderingen.
3.5. Ook de meer subsidiaire vordering van [eiser] dient te worden afgewezen. Er bestaat immers geen wettelijke mogelijkheid voor het ondergaan van voorlopige hechtenis in de thuissituatie. Een schorsing van de voorlopige hechtenis met als bijzondere voorwaarde elektronisch toezicht, kan enkel door het openbaar ministerie bij de strafrechter worden gevorderd. Gesteld noch gebleken is dat het openbaar ministerie onrechtmatig handelt door dat niet te vorderen.
3.6. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.
4. De beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het gevorderde af;
- veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.376,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 560,-- aan griffierecht.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.A. Koppen en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2010.
hvd