ECLI:NL:RBSGR:2010:BO7189

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
10 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 09/48462 & 09/48463
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Vreemdelingenwet 2000Art. 8.7 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:74 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing verblijfsdocument partner EU-burger wegens onvoldoende motivering

Eiser diende een aanvraag in voor een verblijfsdocument als partner van een EU-burger, welke door verweerder werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs van een duurzame relatie, met name het ontbreken van inschrijving in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA).

De rechtbank oordeelt dat het beleid zoals neergelegd in paragraaf B10/1.7 van de Vreemdelingencirculaire niet uitsluit dat een duurzame relatie ook op andere wijze dan zes maanden inschrijving in de GBA kan worden aangetoond. Eiser had loonstroken, een huurcontract en verklaringen van politieambtenaren overgelegd die de samenwoning bevestigen.

De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en vernietigt het besluit. Tevens veroordeelt zij verweerder tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het belang is komen te vervallen door de beslissing in de hoofdzaak.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot afwijzing van de verblijfsdocumentaanvraag wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering.

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE
Sector bestuursrecht
Nevenzittingsplaats Haarlem
zaaknummer: AWB 09/48462 (beroep)
AWB 09/48463 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 10 december 2010
in de zaak van:
[eiser],
geboren op [geboortedatum], van Turkse nationaliteit,
eiser,
gemachtigde: mr. I. Özkara, advocaat te Arnhem,
tegen:
de minister voor Immigratie en Asiel, voorheen de minister van Justitie,
verweerder,
gemachtigde: mr. J.J. Hofland, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te
’s-Gravenhage.
1. Procesverloop
1.1 Eiser heeft op 7 mei 2009 een aanvraag ingediend tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 3 juni 2009 afgewezen. Bij besluit van 21 december 2009 heeft verweerder het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
1.2 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 18 november 2010. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Eiser is niet verschenen.
2. Overwegingen
2.1 Eiser heeft bij de aanvraag gesteld dat hij partner is van [referente] (referente), van Letse nationaliteit. Referente woont in Nederland. Op grond van artikel 8.7, vierde lid van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), respectievelijk op grond van Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden meent eiser als partner van een EU-burger rechtmatig verblijf te hebben in Nederland en in aanmerking te komen voor een document als bedoeld in artikel 9 Vw Pro.
2.2 Verweerder heeft de aanvraag van eiser, beknopt weergegeven, afgewezen omdat niet is bewezen dat sprake is van een duurzame relatie tussen eiser en referente, nu niet is voldaan aan de in B10/1.7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) neergelegde voorwaarde dat aangetoond dient te worden dat gedurende een periode van ten minste zes maanden sprake is van samenwoning en het voeren van een gezamenlijke huishouding. Dat eiser loonstroken en een huurcontract heeft overgelegd, dat de politie in de woning van eiser en referente is geweest, en dat aan het IND-loket aan eiser en referente afzonderlijk vragen zijn gesteld die door eiser en referente zonder tegenstrijdigheden zijn beantwoord, laat onverlet dat ter staving van de gestelde duurzame en exclusieve relatie een bewijs van inschrijving in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) wordt verlangd, en dat deze niet is overgelegd. Bij gebreke van een bewijs van inschrijving in de GBA kan niet worden aangenomen dat sprake is van een relatie als bedoeld in artikel 8.7, vierde lid Vb. Er is geen reden eiser te horen.
2.3 In beroep voert eiser hier, zakelijk weergegeven, onder meer tegen aan dat verweerder niet had mogen volstaan met de toets of eiser voor een periode van zes maanden op het adres van referente ingeschreven heeft gestaan. Eiser betoogt dat er twee maal politieambtenaren bij eiser en referente thuis zijn geweest om de persoonlijke situatie van eiser te onderzoeken en dat de politieambtenaren hebben vastgesteld dat wel degelijk een duurzame relatie aanwezig is. Verder zijn bij de aanvraag aan eiser en referente afzonderlijk vragen gesteld en waren hun antwoorden niet tegenstrijdig. Daarnaast is een huurovereenkomst overgelegd waaruit blijkt dat eiser en referente samenwonen. Het is volgens eiser onbegrijpelijk dat verweerder zonder nadere motivering de aanvraag heeft afgewezen. Daarnaast stelt eiser dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden.
2.4 Hoewel verweerder, naar de rechtbank ambtshalve bekend is, in eerdere zaken heeft erkend dat een vreemdeling ook op een andere wijze dan door het bewijs van zes maanden samenwoning met deugdelijk bewijs kan aantonen dat sprake is van een duurzame relatie, heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting betoogd dat ingevolge het in paragraaf B10/1.7 Vc neergelegde beleid alleen sprake is van een duurzame relatie indien de vreemdeling en zijn partner gedurende een termijn van zes maanden een gezamenlijke huishouding voeren dan wel recentelijk hebben gevoerd of dat uit de relatie een kind is geboren, dat het voeren van een gezamenlijke huishouding alleen kan worden aangetoond door overlegging van een bewijs van inschrijving in de GBA en dat aldus B10/1.7 Vc zo moet worden gelezen dat het bestaan van de duurzame relatie, in gevallen waarin uit de relatie geen kind is geboren, alleen kan worden aangetoond door overlegging van een uittreksel uit het GBA.
2.5 De rechtbank volgt dit standpunt van verweerder niet. De passage in paragraaf B10/1.7 Vc waarnaar verweerder verwijst luidt:
“De duurzame relatie zal in ieder geval worden aangenomen indien met deugdelijk bewijs kan worden aangetoond dat de ongehuwde partner en de EU/EER- onderdaan of onderdaan van Zwitserland, die gebruik maakt van zijn recht op vrij verkeer, reeds gedurende een termijn van zes maanden een gezamenlijke huishouding voeren dan wel (recentelijk) hebben gevoerd of indien uit de relatie een kind is geboren. Om aan te tonen dat sprake is of is geweest van het voeren van een gezamenlijke huishouding, oftewel samenwoning, buiten Nederland valt te denken aan het overleggen van een bewijs van inschrijving in een gemeentelijke administratie, huurcontracten of afschriften van rekeningen op beider naam. Als bewijs om aan te tonen dat de ongehuwde partners in Nederland samenwonen dan wel (recentelijk) hebben samengewoond wordt een inschrijving in de GBA op hetzelfde adres verlangd. Om aan tonen dat uit de relatie een kind is geboren dient een geboorteakte te worden overgelegd.”
Uit het gebruik van de zinsnede “zal in ieder geval worden aangenomen” in de eerste zin van de geciteerde passage volgt dat de duurzame relatie niet alleen kan worden aangenomen als sprake is van zes maanden samenwoning, maar ook in andere gevallen.
2.6 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerders stelling dat de duurzaamheid van de relatie tussen eiser en referente niet is aangetoond, reeds omdat geen bewijs van inschrijving in de GBA is overgelegd, geen stand kan houden. Aangezien deze stelling de kern vormt van het bestreden besluit, is het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.
2.7 Het besluit is strijdig met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb en dient dan ook vernietigd te worden.
2.8 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 874,- (1 punt voor het de beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).
2.9 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb verweerder opdragen het betaalde griffierecht te vergoeden.
Verzoek om een voorlopige voorziening
2.10 Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.11 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat deze reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.
2.12 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 437,- in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening (1 punt voor de verzoekschrift, wegingsfactor 1).
2.13 Met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb gelast de rechtbank dat verweerder het betaalde griffierecht moet vergoeden.
3. Beslissing
De rechtbank:
3.1 verklaart het beroep gegrond;
3.2 vernietigt het bestreden besluit;
3.3 draagt verweerder op binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift;
3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 874,- aan eiser te betalen, in verband met het beroep;
3.5 draagt verweerder op € 150,- aan eiser te betalen als vergoeding voor het betaalde griffierecht, in verband met het beroep.
De voorzieningenrechter:
3.6 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
3.7 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 437,- aan eiser te betalen, in verband met het verzoek;
3.8 draagt verweerder op € 150,- aan eiseres te betalen als vergoeding voor het betaalde griffierecht, in verband met het verzoek.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.I. de Vreese-Rood, rechter, in tegenwoordigheid van W.J. de Baat, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 december 2010.
Afschrift verzonden op:
Coll:
Rechtsmiddel
Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.