ECLI:NL:RBSGR:2010:BO7221
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning wegens vervallen categoriale beschermingsgrond uit Centraal-Irak
Eiser vroeg op 7 december 2006 een verblijfsvergunning asiel aan en kreeg deze op 20 augustus 2007 toegekend op basis van het categoriale beschermingsbeleid voor asielzoekers uit Centraal-Irak. Dit beleid werd per 22 november 2008 afgeschaft, waarna verweerder de vergunning introk. Eiser stelde dat hij vervolging vreest vanwege zijn clan, zijn religieuze achtergrond en Koerdische afkomst en beriep zich op subsidiaire bescherming.
De rechtbank oordeelde dat het vermoeden van eiser onvoldoende was geobjectiveerd, met name dat het feit dat zijn moeder het Zaradashti-geloof aanhangt en hijzelf niet, niet voldoende is om vervolging of een reëel risico op een door artikel 3 EVRM Pro verboden behandeling aan te nemen. Ook de vrees voor de clan was reeds eerder beoordeeld en bindend verklaard.
Verder werd het beroep op artikel 15c van de Definitierichtlijn afgewezen omdat de veiligheidssituatie in Bagdad niet uitzonderlijk was ten tijde van het besluit. De rechtbank verwees naar eerdere uitspraken en rapporten van UNHCR en het EHRM die dit bevestigen.
Gezien deze overwegingen verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees de intrekking van de verblijfsvergunning toe. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.