ECLI:NL:RBSGR:2010:BO8295
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.Th. Nijhuis
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap van een minderjarige na Surinaamse naturalisatie vader
Verzoeker heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend om vast te stellen dat hij sinds zijn geboorte de Nederlandse nationaliteit bezit, mede gebaseerd op een vonnis uit Suriname dat zijn moeder de Surinaamse nationaliteit niet bezit en haar met terugwerkende kracht de Nederlandse nationaliteit is verleend.
De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verzet zich tegen het verzoek en stelt dat verzoeker door medenaturalisatie met zijn vader op 9 januari 1982 de Surinaamse nationaliteit heeft verkregen en daardoor het Nederlanderschap heeft verloren volgens de toen geldende wetgeving. De IND voert aan dat er geen aanwijzingen zijn dat verzoeker het Nederlanderschap na die datum heeft herkregen.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker bij zijn geboorte de Nederlandse nationaliteit bezat via zijn vader. Bij de onafhankelijkheid van Suriname verkreeg hij de Surinaamse nationaliteit en verloor de Nederlandse. Zijn vader koos in 1979 voor het Nederlanderschap, waardoor verzoeker dit ook verkreeg. Echter, bij de naturalisatie van zijn vader in Suriname in 1982 verkreeg verzoeker als minderjarige ook de Surinaamse nationaliteit en verloor het Nederlanderschap. Verzoeker heeft niet binnen een jaar na meerderjarigheid aangegeven hiervan af te willen zien.
De rechtbank concludeert dat verzoeker het Nederlanderschap niet meer bezit en wijst het verzoek af. De beschikking is uitgesproken door mr. M.Th. Nijhuis op 16 december 2010.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap wordt afgewezen omdat verzoeker het Nederlanderschap heeft verloren door medenaturalisatie met zijn vader.