ECLI:NL:RBSGR:2010:BO9266

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
21 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
380884 / FT-RK 10.2685
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot faillietverklaring wegens onvoldoende bewijs van betalingsonmacht

De rechtbank 's-Gravenhage behandelde het verzoek van Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor het Metaalbedrijf tot faillietverklaring van verweerster, ingediend op grond van een vermeende onbetaalde vordering van € 843.351,01 voor geleverde diensten in het kader van de Persoonlijke Trainings Toelage (PTT).

Verzoekster stelde dat zij cursussen had verzorgd en daarvoor een PTT-toelage wenste te ontvangen, maar verweerster betwistte de aanspraak op de gefactureerde bedragen en stelde dat onvoldoende was aangetoond dat de werknemers tijdens de cursussen in dienst waren. De rechtbank oordeelde dat de facturen niet duidelijk aan verweerster waren geadresseerd en dat niet was aangetoond dat de aanvragen voor toelage waren beoordeeld en toegekend.

Daarnaast vond de rechtbank dat niet was aangetoond dat verweerster heeft opgehouden te betalen, mede omdat het eigen vermogen en de financiële middelen van verweerster ruim waren. Het niet meer doen van betalingen in het kader van de PTT-regeling werd gezien als een besluit van verweerster en niet als betalingsonmacht.

Daarom werd het faillissementsverzoek afgewezen. Verzoekster had ook geen steunvorderingen aannemelijk gemaakt. De uitspraak werd gegeven door rechter D.R. van der Meer op 21 december 2010.

Uitkomst: Het verzoek tot faillietverklaring van verweerster wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van betalingsonmacht en niet opeisbare vordering.

Uitspraak

rekestnummer: 380884/FT-RK 10.2685
uitspraakdatum: 21 december 2010
RECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE
sector civiel recht - enkelvoudige kamer
Polytech B.V.
te Elsloo
advocaat: mr. P.W.A.M. van Roy
verzoekster
heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend strekkende tot faillietverklaring van:
Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor het Metaalbedrijf
te 's-Gravenhage
advocaat: mr. P.M. Frinking
verweerster.
1. De procedure
Het verzoekschrift is op 14 december 2010 behandeld in raadkamer. Bij deze behandeling is zowel verzoekster als verweerster verschenen. De uitspraak op het verzoek werd ter terechtzitting van 14 december 2010 aangehouden naar 16 december 2010 te 16:00 uur. Bij brief van 14 december 2010 zijn partijen op de hoogte gesteld van een nadere aanhouding van de uitspraak naar 23 december 2010 te 16:00. Om de rechtbank moverende redenen is besloten de datum van de uitspraak te vervroegen naar 21 december 2010.
2. De beoordeling
De faillietverklaring wordt uitgesproken indien summierlijk blijkt van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen. Voor het bestaan van feiten en omstandigheden die de conclusie wettigen dat sprake is van een toestand van hebben opgehouden te betalen, is vereist dat sprake is van het onbetaald laten van een opeisbare vordering en voorts van pluraliteit van schuldeisers.
Verzoekster stelt van verweerster inzake door verzoekster aan verweerster geleverde diensten opeisbaar te vorderen te hebben een bedrag van - in hoofdsom - € 843.351,01.
Verzoekster stelt zich te hebben ingezet om bedrijven te vinden die gebruik wilden maken van de door verweerster aangeboden Persoonlijke Trainings Toelage (hierna: PTT).
De PTT is een door verweerster uitgevoerde scholingsregeling, welke valt onder het uitkeringsreglement behorende bij de CAO Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor het Metaalbewerkingsbedrijf (hierna: de CAO). Aanvragen voor subsidie moeten blijkens dat uitkeringsreglement voldoen aan bepaalde eisen, terwijl ook de benodigde stukken moeten worden bijgevoegd. Artikel 3 van Pro het reglement bepaalt dat een verzoek om vergoeding wordt ingewilligd voor zover de middelen zulks toelaten, dit naar het oordeel van het bestuur.
Verzoekster stelt dat het door haar gevorderde bedrag betrekking heeft op door haar aan verweerster geleverde diensten, daarbij doelend op cursussen die zij ten behoeve van haar werknemers heeft verzorgd en waarvoor zij een PTT-toelage van verweerster wenst te ontvangen.
Verweerster betwist gemotiveerd en onderbouwd dat verzoekster aanspraak kan maken op de gefactureerde PTT-toelages. Verzoekster heeft niet de door verweerster opgevraagde aanvullende gegevens verstrekt. Tevens staat naar de mening van verweerster onvoldoende vast dat werknemers op het moment van de cursus in dienst van verzoekster waren. Het gaat bovendien om een interne cursus.
Tussen verzoekster en verweerster is omtrent de PTT-aanvragen van verzoekster een geschil ontstaan, waaruit de voorliggende faillissementsaanvraag is voortgevloeid.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering van verzoekster niet summierlijk is komen vast te staan. Op basis van de stukken en hetgeen ter zitting is verhandeld, komt de rechtbank tot de conclusie dat de door verzoekster overgelegde facturen - waarop overigens de adressering aan verweerster ontbreekt - hoogstens te kwalificeren zijn als afzonderlijke aanvragen voor het toekennen van een PTT-toelage voor een bepaalde cursus aan één of meer op die facturen genoemde personen. Blijkens de door verweerder overgelegde CAO en het daarin opgenomen uitkeringsreglement, waarvan de toepasselijkheid niet door verzoekster is betwist, is het vervolgens aan verweerster om die aanvragen te beoordelen. Verzoekster heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat de thans - in de vorm van facturen - overgelegde aanvragen al door verweerster zijn beoordeeld en dat die beoordeling in elk individueel geval tot toekenning van de toelage heeft geleid. De vordering staat daarom niet vast en is evenmin opeisbaar.
Reeds hierom moet het faillissementsverzoek worden afgewezen.
De door verzoekster als zodanig gestelde steunvorderingen wijst de rechtbank eveneens van de hand. Uit de overgelegde brief van Van Eck blijkt immers slechts dat Van Eck subsidies is misgelopen, hetgeen niet gelijk is te stellen met een onbetaalde vordering.
Tenslotte is de rechtbank van oordeel dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat de toestand van te hebben opgehouden te betalen ten aanzien van verweerster is ingetreden. Verzoekster heeft niet weersproken dat het eigen vermogen van verweerster ultimo 2009 € 27 miljoen bedroeg, en dat ook thans zeer ruime financiële middelen voorhanden zijn om aan de betalingsverplichtingen te voldoen. Dat verweerster in het kader van de uitvoering van de PTT-regeling aan verzoekster (en andere bedrijven in de bedrijfstak) geen betalingen (meer) doet, is een gevolg van een besluit van verweerster en is niet te herleiden tot de voor een faillissement noodzakelijke onmacht om te betalen.
Het verzoek zal derhalve worden afgewezen.
3. De beslissing
De rechtbank:
- wijst af het verzoek tot faillietverklaring van:
Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor het Metaalbedrijf
statutair gevestigd te te 's-Gravenhage
ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken
voor Den Haag onder nummer: 41181198
Deze beschikking is op 21 december 2010 gegeven door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van de griffier.
rekestnummer: 380884/FT-RK 10.2685
De schuldenaar heeft gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak het recht van hoger beroep. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat en procureur worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.