ECLI:NL:RBSGR:2010:BO9408
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onmiddellijke opheffing vreemdelingenbewaring wegens ontbreken redelijk vooruitzicht op uitzetting
Eiser verbleef ruim zeveneneenhalve maand in vreemdelingenbewaring zonder dat er zicht was op uitzetting naar Syrië, mede doordat de Syrische autoriteiten nauwelijks laissez-passer verstrekken. Eiser voerde aan dat hij voldoende meewerkte en dat voortzetting van bewaring in strijd was met artikel 15 van Pro de Terugkeerrichtlijn.
Verweerder stelde dat eiser onvoldoende meewerkte en dat de bewaring rechtmatig verlengd kon worden met maximaal achttien maanden vanwege het ontbreken van een geldig reisdocument en lopende aanvraag van een laissez-passer. De rechtbank oordeelde dat de Terugkeerrichtlijn vanaf 24 december 2010 rechtstreeks werking heeft en dat de nationale wetgeving geen expliciete verlengingsgrondslag bevat, maar dat dit niet leidt tot strijdigheid met de richtlijn.
De rechtbank stelde vast dat het belang van eiser bij invrijheidstelling na zes maanden zwaarder weegt dan het belang van voortzetting van bewaring. Ondanks het ontbreken van een redelijk vooruitzicht op uitzetting binnen de gestelde termijnen, oordeelde de rechtbank dat voortzetting van bewaring niet gerechtvaardigd was. De bewaring werd daarom onmiddellijk opgeheven. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen, maar verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van eiser.
Uitkomst: De rechtbank beveelt onmiddellijke opheffing van de vreemdelingenbewaring wegens ontbreken van redelijk vooruitzicht op uitzetting.