ECLI:NL:RBSGR:2010:BO9495
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen inbewaringstelling op grond van zicht op uitzetting
Eiser is op 29 oktober 2010 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen deze maatregel en voerde aan dat de eerdere inbewaringstelling was opgeheven vanwege gebrek aan reëel zicht op uitzetting, en dat verweerder onzorgvuldig had gehandeld door niet alle relevante stukken uit eerdere procedures bij het dossier te voegen.
Verweerder stelde dat de eerdere opheffing het gevolg was van een belangenafweging en niet van het ontbreken van zicht op uitzetting. Bovendien was inmiddels meer dan twaalf maanden verstreken sinds de vorige opheffing, en was er een nieuwe aanvraag voor een laissez passer bij de Marokkaanse autoriteiten ingediend, wat zicht op uitzetting bood.
De rechtbank oordeelde dat het tijdsverloop van meer dan twaalf maanden sinds de vorige opheffing betekent dat verweerder in beginsel geen nieuwe aanknopingspunten hoeft te leveren om aan te nemen dat het zicht op uitzetting niet ontbreekt. Eiser had geen omstandigheden gesteld die dit anders maakten. Ook was er geen sprake van onzorgvuldig handelen door verweerder met betrekking tot het dossier.
De rechtbank concludeerde dat de vrijheidsontnemende maatregel niet in strijd is met de wet en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens wees de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het beroep tegen de inbewaringstelling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.