Verzoekster, een meerderjarig kind van een asielvergunninghouder, vroeg een verblijfsvergunning gezinshereniging aan. De minister wees deze af omdat zij niet feitelijk tot het gezin van haar vader zou behoren, mede omdat zij langdurig bij haar grootmoeder had gewoond.
De rechtbank oordeelt dat de vader bij de mvv-aanvraag alle relevante informatie had verstrekt en dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de aard van de afhankelijkheid. Verzoekster mocht op grond van opgewekt vertrouwen rekenen op verlening van de verblijfsvergunning na afgifte van de mvv.
De afwijzing is niet voldoende gemotiveerd en in strijd met het recht. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het beroep gegrond is verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, met opdracht tot een nieuw besluit.
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster], geboren op [1991], van Iraanse nationaliteit, verzoekster,
gemachtigde: mr. I. Wudka, advocaat te Maastricht,
en
de Minister voor Immigratie en Asiel, verweerder,
gemachtigde: mr. L. Verheijen.
Inleiding
1.1 Bij beslissing van 2 december 2010 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster van 24 november 2010 om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Verzoekster heeft tegen deze beslissing beroep bij deze rechtbank ingesteld.
1.2 Ingevolge artikel 82, tweede lid, onder a van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw) wordt de werking van het besluit tot afwijzing van de aanvraag niet opgeschort gedurende de periode dat het beroep aanhangig is. Bij verzoekschrift van 2 december 2010 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat uitzetting achterwege blijft, totdat op het beroep is beslist.
1.3 Het geding is behandeld ter zitting van 16 december 2010, waar verzoekster is verschenen. Verzoekster en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.
Overwegingen
Ten aanzien van de voorlopige voorziening
2.1 Ingevolge artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.2 Op grond van het bepaalde in artikel 8:86 vanPro de Awb kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.
Ten aanzien van het beroep
2.3 In het bestreden besluit heeft verweerder verzoeksters aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel afgewezen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de door verzoeksters gestelde feiten geloofwaardig zijn, maar dat zij niet in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel in het kader van gezinshereniging omdat de feitelijke gezinsband verbroken is.
2.4 In geschil is of verweerder zich op het standpunt kon stellen dat verzoekster niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder f van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw).
2.5 Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij er door de verlening van de machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) op mocht vertrouwen dat aan haar een afgeleide vergunning asiel gezinshereniging zou worden afgegeven. Verzoekster verwijst naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) van 5 augustus 2010 (LJN: BN4037). Voorts stelt verzoekster dat haar vader niet de mogelijkheid had om haar en haar broer financieel te ondersteunen, zodat dit niet mag worden tegengeworpen. Referent heeft wel steeds contact gehouden met verzoekster en haar broer. Gedurende de periode dat verzoeksters vader in Irak en Turkije verbleef, was er geen mogelijkheid van gezinshereniging, maar de bedoeling heeft altijd bestaan met elkaar herenigd te worden. Verzoekster wijst nogmaals naar de arresten Sen en Tuquabo Tekle. Haar vader heeft het gezin verlaten uit hoofde van zijn asielmotieven. Ten slotte doet verzoekster een beroep op artikel 8 vanPro het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
2.6 Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 wordenPro verleend aan de vreemdeling:
(...)
f. die als partner of als meerderjarig kind zodanig afhankelijk is van de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, dat hij om die reden behoort tot het gezin van deze vreemdeling, die dezelfde nationaliteit heeft als deze vreemdeling en gelijktijdig met deze vreemdeling Nederland is ingereisd dan wel is nagereisd binnen drie maanden, nadat aan de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend.
2.7 Verweerder heeft gesteld dat uit het beleid als neergelegd in de Vreemdelingen-circulaire 2000 (hierna: Vc) paragraaf C2/6.1 volgt dat het gaat om cumulatieve vereisten. Meerderjarige kinderen kunnen alleen voor verblijf in aanmerking komen indien zij feitelijk behoren tot het gezin van de hoofdpersoon. Hiervan is sprake indien zij in het land van herkomst altijd tot het gezin van de hoofdpersoon zijn blijven behoren. Verweerder heeft verzoeksters aanvraag afgewezen nu zij niet feitelijk zou behoren tot het gezin van haar vader, aan wie een verblijfsvergunning asiel is verleend. Uit paragraaf C2/6.1 van de Vc volgt dat onder het feitelijk behoren tot het gezin het volgende wordt verstaan. Tot aan het vertrek van de hoofdpersoon dienen de gezinsleden te hebben behoord tot diens gezin. Ook moeten de gezinsleden zijn genoemd als gezinsleden tijdens de asielprocedure van de hoofdpersoon. De biologische kinderen (minderjarig en meerderjarig) behoren niet langer tot het gezin van de hoofdpersoon indien de gezinsband als verbroken kan worden beschouwd. Dit doet zich in elk geval voor indien er sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden.
– het kind is duurzaam opgenomen in een ander gezin dan het gezin van de hoofdpersoon
– het kind is zelfstandig gaan wonen
– het kind heeft een eigen gezin gevormd doordat het gehuwd is of een relatie is aangegaan.
De bewijslast om aan te tonen dat de feitelijke gezinsband tussen ouder en kind niet is verbroken, ligt bij de in Nederland verblijvende ouder die de overkomst van het kind vraagt. De voorzieningenrechter stelt vast dat in het beleid van verweerder thans niet de eis van financiële afhankelijkheid als zodanig wordt gesteld. De voorzieningenrechter acht verweerders beleid op dit punt niet in strijd met richtlijn 2003/86 inzake het recht op gezinshereniging, waarvan de artikelen 9 tot en met 12 zijn geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f van de Vw.
2.8 In paragraaf B1/1 van de Vc is voorzien in de mogelijkheid dat, indien een vreemdeling die een aanvraag tot verlening van een mvv wil indienen hier te lande beschikt over een referent, deze laatste, voorafgaand aan de indiening van die aanvraag door de vreemdeling, de Visadienst verzoekt om in een advies aan te geven of wordt voldaan aan de in het kader van de beoordeling van de nadien in te dienen aanvraag te stellen vereisten, voor zover die betrekking hebben op zijn situatie. De aanvraag om afgifte van een mvv wordt aan de hand van dezelfde criteria als die welke gelden voor de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning beoordeeld. Indien wordt voldaan aan de toelatingsvoorwaarden, machtigt de Visadienst onder voorbehoud de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging om de mvv af te geven. Voorts volgt uit paragraaf B1/4 van de Vc dat slechts in zeer uitzonderlijke gevallen een verblijfsvergunning kan worden geweigerd aan de houder van een mvv. Hiervan is sprake indien blijkt dat niet aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is voldaan.
2.9 De voorzieningenrechter stelt vast dat aan referent, de vader van verzoekster, bij besluit van 21 september 2009 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, met ingang van 6 oktober 2008, geldig tot 6 oktober 2013. Op 5 november 2009 heeft referent verzocht om een advies voor afgifte van een mvv ten behoeve van verzoekster en haar broer, met het oog op gezinshereniging. In het kader van deze procedure is DNA-onderzoek verricht, waarvan de uitslag is dat referent met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de vader is van verzoekster. Bij brief van 12 augustus 2010 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken bericht dat indien door de vreemdeling een aanvraag om een mvv wordt ingediend, deze in beginsel wordt ingewilligd. Verzoekster is op 28 oktober 2010 met een mvv Nederland ingereisd en zij heeft op 24 november 2010 een asielaanvraag ingediend.
2.10 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoekster niet voldoet aan de voorwaarden om als meerderjarig kind van een op asielgronden toegelaten vreemdeling te kunnen worden toegelaten. Verweerder stelt dat verzoekster gedurende twaalf jaar bij haar oma heeft geleefd en door haar is opgevoed. Dit wordt beschouwd als een duurzame opname in een ander gezin, zodat verzoekster niet langer behoort tot het gezin van de hoofdpersoon en dus de feitelijke gezinsband als verbroken kan worden beschouwd. Verder is pas bij de beoordeling van de asielaanvraag van verzoekster gebleken dat bij de mvv-aanvraag onjuiste informatie is verstrekt over de afhankelijkheid van verzoekster van haar vader. Er is geen sprake van financiële afhankelijkheid van verzoekster van haar vader, zodat verzoekster geen beroep kan doen op opgewekt vertrouwen naar aanleiding van de verleende mvv.
2.11 De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Gelet op het gestelde in overweging 2.8 wordt in het kader van het onderzoek naar de mogelijke verlening van een mvv beoordeeld of aan de voorwaarden voor gezinshereniging als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e dan wel f van de Vw is voldaan. De Visadienst heeft in een brief van 13 november 2009 aangegeven dat het verzoek om een advies omtrent de afgifte van een mvv onvolledig was en heeft verzoeksters vaders de mogelijkheid geboden de aanvraag aan te vullen met de gevraagde gegevens. Bij deze brief heeft de Visadienst niet verzocht om nadere informatie omtrent de aard van de relatie tussen referent en verzoekster. De voorzieningenrechter overweegt dat gelet op de gevoelige aard van dossiers als het onderhavige, te weten het al dan niet toestaan van de inreis van familieleden van een erkende asielzoeker, bijzonder klemt dat het onderzoek naar de familieband zorgvuldig en uitputtend geschiedt. Dat daarvan sprake is geweest blijkt uit het feit dat alvorens de mvv’s voor verzoekster en haar broer werden verleend, het DNA is vergeleken en verweerder nadere informatie wenste. Vast staat dat verweerder bij die gelegenheid niet heeft geïnformeerd naar de mate waarin verzoekster financieel afhankelijk was (geweest) van haar vader. Verweerder heeft gesteld dat dat ook niet op zijn weg lag, doch dat verzoeksters vader eigener beweging bij de aanvraag had moeten toelichten dat zijn kinderen de laatste jaren voor zijn komst naar Nederland niet financieel van hem afhankelijk waren, zodat (zelfs) sprake is van het verstrekken van onjuiste inlichtingen door de vader. Verweerder heeft ten slotte gesteld dat het niet op zijn weg lag om de desbetreffende informatie over de familieband uit het asieldossier van de vader te verzamelen.
2.12 De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder in deze opstelling niet kan worden gevolgd. In het licht van hetgeen in 2.11 is overwogen klemt wanneer in een asielgerelateerde procedure een mvv wordt verstrekt het aspect van opgewekt vertrouwen zeer. Mede gelet daarop is de voorzieningenrechter van oordeel dat het op de weg van verweerder had gelegen om alvorens de mvv te verlenen navraag te doen naar de aard van de afhankelijkheid van verzoekster van haar vader. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat in de wet of in het beleid van verweerder thans niet de eis van financiële afhankelijkheid als zodanig wordt gesteld, maar dat van belang is of verzoekster feitelijk behoort tot het gezin van haar vader. Voorts betrekt de voorzieningenrechter bij haar oordeel dat verzoeksters vader de relevante informatie over de relatie tussen verzoekster en haar vader heeft verstrekt in zijn asielprocedure. Gelet op het voorgaande en gelet op de inhoud van de brief van de Visadienst van 13 november 2009 mocht verzoeksters vader er naar het oordeel van de voorzieningenrechter op vertrouwen dat, na verstrekking van de in die brief gevraagde gegevens, de verstrekte informatie volledig was. Verweerders stelling ter zitting dat bij de beoordeling van de mvv aanvraag niet wordt beschikt over het asieldossier en dat de aanvrager van de mvv verantwoordelijk is voor het verstrekken van alle relevante en juiste informatie in die procedure, volgt de voorzieningenrechter dan ook niet.
2.13 Gelet hierop volgt de voorzieningenrechter verzoekster waar zij heeft verwezen naar de uitspraak van de ABRvS van 5 augustus 2010 (LJN: BN4037). In de brief van 12 augustus 2010 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken bericht dat hij geen bezwaar heeft tegen de afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf aan verzoekster. In deze brief is een voorbehoud gemaakt voor afgifte van een mvv indien controle van de door betrokkenen te overleggen documenten en/ of nader bekend geworden feiten en omstandigheden de afgifte van de mvv in de weg staan.
2.14 Nu verzoekster met een mvv Nederland is ingereisd kan worden aangenomen dat ten tijde van het verlenen van de mvv is onderzocht en vastgesteld dat aan de ter zake van het beoogde verblijfsdoel gestelde voorwaarden is voldaan en dat er geen andere redenen waren die zich verzetten tegen verlening van de gevraagde mvv. Gelet daarop mocht verzoekster er op vertrouwen dat haar bij gelijkblijvende omstandigheden een verblijfsvergunning voor het doel waarvoor de mvv is afgegeven zou worden verleend. In de eerder genoemde uitspraak van de ABRvS is geoordeeld dat dit anders zou zijn indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt die hebben geleid tot de verlening van de mvv.
2.15 De voorzieningenrechter overweegt dat daarvan in het onderhavige geval geen sprake is. Uit het voornemen volgt dat verweerder verzoeksters aanvraag heeft afgewezen omdat zij duurzaam is opgenomen in het gezin van haar oma, zodat de feitelijke gezinsband met haar vader verbroken is. In het besluit heeft verweerder gesteld dat tijdens de procedure bekend is geworden dat de gezinsband duurzaam is verbroken, hetgeen ertoe geleid heeft dat de aanvraag is afgewezen. Verweerder heeft gesteld dat referent in de toelichting op de mvv-aanvraag onjuiste gegevens heeft verstrekt. Hij heeft verklaard dat de kinderen volledig afhankelijk zijn van hun vader. Deze gegevens zijn volgens verweerder onjuist nu de gezinsband al 12 jaar is verbroken en volgens verzoekster haar tante hen financieel ondersteunde. Verweerder heeft hiermee naar het oordeel van de voorzieningenrechter feiten tegengeworpen die reeds bekend waren of hadden kunnen zijn ten tijde van het verlenen van de mvv. Hiertoe verwijst de voorzieningenrechter naar de passage in het eerste gehoor van referent (van 7 oktober 2008) waar verzoeksters vader verklaart dat hij op 26 februari 1999 naar Irak is gegaan (p. 4 eerste gehoor) en dat zijn kinderen bij zijn moeder verblijven (p. 2, eerste gehoor). Gelet op deze passages uit het eerste gehoor is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster feiten zijn tegengeworpen die bij de aanvraag van de mvv reeds bekend waren of hadden kunnen zijn. Dat verweerder de informatie die door verzoeksters vader in zijn asielprocedure is verstrekt niet betrekt bij de beoordeling van de mvv in het kader van gezinshereniging op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e of f van de Vw, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter onder deze omstandigheden niet worden tegengeworpen aan verzoekster.
2.16 Nu slechts in uitzonderlijke gevallen een verblijfsvergunning kan worden geweigerd aan de houder van een mvv en niet is gebleken dat er onjuiste gegevens zijn verstrekt bij de aanvraag van de mvv, heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom aan eiseres geen verblijfsvergunning wordt verleend.
2.17 Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. De bestreden beschikking kan niet in stand blijven en zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 vanPro de Awb. Verweerder dient met inachtneming van het bovenstaande een nieuw besluit te nemen.
Nogmaals ten aanzien van de voorlopige voorziening
2.18 Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, zodat het verzoek wordt afgewezen.
Ten aanzien van de voorlopige voorziening en het beroep
2.19 De voorzieningenrechter acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Awb en verweerder te veroordelen in de door verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek en de behandeling van het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 874,-. Aangezien ten behoeve van verzoekster een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 AwbPro de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster ten bedrage van € 874,- die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht, moet voldoen.
Aldus vastgesteld door mr. H. Gorter en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2010.
De griffier: De rechter:
mr. C. ten Klooster mr. H. Gorter
afschrift verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen voor wat betreft de gegrondverklaring van het beroep binnen vier weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van state, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 vanPro de Awb is niet van toepassing.
Tegen de afwijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening staat ingevolge artikel 37, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet op de Raad van State geen hoger beroep open.
De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.