ECLI:NL:RBSGR:2010:BO9732
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.J.W.P. van Gastel
- C. van Linschoten
- E. Horsthuis
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende motivatie risico artikel 3 EVRM bij terugkeer naar Libië
Eiser, een Libische asielzoeker, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel die door verweerder werd afgewezen. Verweerder stelde dat eiser onvoldoende had meegewerkt aan het vaststellen van zijn reisroute en dat zijn vrees voor een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer naar Libië niet aannemelijk was gemaakt. De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom eiser geen reëel risico zou lopen op een schending van artikel 3 EVRM Pro.
De rechtbank overwoog dat het beleid van verweerder was gewijzigd met het WBV 2010/6, waarbij geen beleidsmatige belemmeringen meer bestaan om asielaanvragen van Libische asielzoekers af te wijzen. Deze beleidswijziging was gebaseerd op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak en het feit dat Zweden uitgeprocedeerde asielzoekers naar Libië had teruggestuurd. Echter gaf de Afdelingsuitspraak geen onderbouwing voor de beleidswijziging met betrekking tot het risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro.
Verder werd vastgesteld dat de informatie over Zweedse uitzettingen ontoereikend was om het risico voor Libische asielzoekers te beoordelen. Ook meldingen van Amnesty International en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wezen op mogelijke detentie en mishandeling van teruggekeerde asielzoekers. De rechtbank concludeerde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd dat eiser geen reëel risico liep en vernietigde het besluit.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser. De uitspraak werd gedaan door drie rechters en griffier, en partijen kunnen binnen een week hoger beroep instellen bij de Raad van State.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van het risico op een schending van artikel 3 EVRM bij terugkeer naar Libië.