ECLI:NL:RBSGR:2010:BO9750
Rechtbank 's-Gravenhage
- Kort geding
- P.A. Koppen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot onmiddellijke invrijheidsstelling wegens geen evidente onrechtmatigheid voorlopige hechtenis
Eiser, verdachte in een onderzoek naar een gewapende overval, is sinds juni 2010 in voorlopige hechtenis. Na diverse verzoeken tot het horen van getuigen en het afleggen van verklaringen, werd het onderzoek geschorst, mede vanwege de agenda van de rechtbank. Eiser verzocht om onmiddellijke invrijheidsstelling wegens vermeende onrechtmatigheid van de voortzetting van de voorlopige hechtenis.
De voorzieningenrechter overweegt dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in het strafrecht bepaalt dat verzoeken tot opheffing of schorsing van voorlopige hechtenis aan de strafrechter moeten worden voorgelegd. De vordering in kort geding is slechts toewijsbaar bij bijzondere omstandigheden of evidente onrechtmatigheid. Nu de strafrechter de zaak op korte termijn zal voortzetten, kan diens oordeel worden afgewacht.
Verder is er discussie over de geldigheid van een verstaansbeschikking en de schorsing van het onderzoek. De voorzieningenrechter acht het niet vanzelfsprekend dat de termijnen van het Wetboek van Strafvordering tijdens de wrakingsprocedure doorlopen. Gezien de omstandigheden is geen sprake van evidente onrechtmatigheid van de voorlopige hechtenis.
De vordering wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten. Het verzoek om onmiddellijke invrijheidsstelling wordt niet toegewezen.
Uitkomst: De vordering tot onmiddellijke invrijheidsstelling wordt afgewezen omdat de voorlopige hechtenis niet evident onrechtmatig is en het oordeel van de strafrechter kan worden afgewacht.