ECLI:NL:RBSGR:2010:BP7619
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing bewaring wegens niet tijdig horen en nihilstelling schadevergoeding
De Minister van Justitie legde op 7 juni 2010 een maatregel van bewaring op aan eiser, een vreemdeling van Burundische nationaliteit. Eiser stelde op 8 juni 2010 beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 21 juni 2010, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen. De rechtbank constateerde dat eiser niet tijdig was gehoord, wat niet aan hem maar aan omstandigheden buiten zijn risicosfeer lag.
De rechtbank oordeelde dat de bewaring tot en met 22 juni 2010 rechtmatig was, maar dat het niet tijdig horen daarna tot onrechtmatige bewaring leidde. De bewaring werd daarom met onmiddellijke ingang opgeheven. De gemachtigde van eiser had nagelaten tijdig te verschijnen, waardoor de bewaring langer duurde dan noodzakelijk. Dit werd aan eiser toegerekend, waardoor de rechtbank het verzoek om schadevergoeding matigde tot nihil.
De rechtbank bevestigde dat de staandehouding op goede gronden was gebaseerd, ondanks dat eiser identiteitspapieren overhandigde die niet voldeden aan de wettelijke eisen. Ook was er voldoende zicht op uitzetting binnen afzienbare termijn. De rechtbank veroordeelde de verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiser ad €437. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De bewaring van eiser wordt opgeheven en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen wegens aan eiser toe te rekenen vertraging.