ECLI:NL:RBSGR:2011:BP0020

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
6 januari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/44269
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 15 TerugkeerrichtlijnArt. 6 TerugkeerrichtlijnArt. 8 TerugkeerrichtlijnArt. 96 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortzetting bewaring vreemdeling op grond van Terugkeerrichtlijn

De rechtbank 's-Gravenhage behandelde het beroep van een vreemdeling die sinds september 2010 in bewaring is gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betoogde dat het terugkeerbesluit niet voldeed aan de eisen van de Terugkeerrichtlijn en dat de bewaring daarom onrechtmatig was. Tevens stelde hij dat de bewaring in strijd was met artikel 15 van Pro de richtlijn.

De rechtbank stelde vast dat er een meeromvattende beschikking bestaat die voldoet aan de vereisten van de Terugkeerrichtlijn, aangezien eiser eerder een asielaanvraag had gedaan die was afgewezen en hem een vertrektermijn was gegund. De rechtbank concludeerde dat de beoordeling van het huidige terugkeerbesluit daarom buiten beschouwing kan blijven.

Verder werd onderzocht of er een redelijk vooruitzicht op verwijdering bestaat. Uit de stukken bleek dat de autoriteiten contact hadden met de Algerijnse instanties voor het verkrijgen van een laissez passer en dat eiser zelf geen medewerking verleende aan zijn verwijdering. De rechtbank vond dat er voldoende perspectief op uitzetting was en dat de voortzetting van de bewaring niet onredelijk was.

Tot slot wees de rechtbank het beroep ongegrond en het verzoek om schadevergoeding af, en oordeelde dat de bewaring niet in strijd is met de Vreemdelingenwet 2000 of de Terugkeerrichtlijn.

Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE
Zittinghoudende te Roermond
Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer
Vreemdelingenkamer
Procedurenummer: AWB 10 / 44269
Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 96 juncto Pro artikel 106 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)
inzake
[eiser], volgens zijn verklaring geboren op [geboortedatum] en van Algerijnse nationaliteit, verblijvende in het Detentiecentrum te Rotterdam, hierna te noemen: eiser,
gemachtigde mr. N.M. Weteling, advocaat te Rosmalen,
tegen
de minister voor Immigratie en Asiel, verweerder.
1. Procesverloop
1.1. Op 2 september 2010 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.
1.2. Bij beroepschrift van 24 december 2010 is namens eiser beroep ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsontneming. Voorts is om schadevergoeding verzocht.
1.3. Naar aanleiding van dit beroepschrift heeft verweerder op 27 december 2010 een voortgangsrapportage ingezonden. De gemachtigde van eiser heeft hierop, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, gereageerd bij schrijven van 28 december 2010.
1.4. De rechtbank heeft op 30 december 2010 het vooronderzoek gesloten en bepaald dat het onderzoek ter zitting niet achterwege kan blijven.
1.5. Bij faxbericht van 3 januari 2011 heeft eiser nadere stukken ingezonden.
1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 januari 2011, alwaar zowel eiser als zijn gemachtigde voornoemd niet zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.F. Verhaegh.
2. Overwegingen
2.1. De rechtbank heeft bij uitspraak van 14 december 2010 (AWB 10 / 42089) de bewaring tot de dag van sluiting van het vooronderzoek, te weten 13 december 2010, rechtmatig geacht.
2.2. Ter beoordeling ligt thans de vraag of er - nog steeds - voldoende perspectief bestaat op uitzetting van eiser. Voorts is van belang te beoordelen of voortzetting van de bewaring ook overigens, bij afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid nog gerechtvaardigd is.
2.3. Namens eiser is - kort weergegeven - aangevoerd dat het besluit van 20 december 2010 niet kan worden aangemerkt als een terugkeerbesluit conform de Terugkeerrichtlijn. Nu aan de bewaring ingevolge de Terugkeerrichtlijn een terugkeerbesluit ten grondslag dient te liggen, is de bewaring onrechtmatig. Voorts heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat de bewaring in strijd is met artikel 15 van Pro de Terugkeerrichtlijn.
2.4. De rechtbank overweegt als volgt.
2.5. Op 24 december 2010 is de implementatietermijn voor de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: de Terugkeerrichtlijn), verstreken. Niet in geschil is dat deze richtlijn tot op heden niet in de nationale wetgeving is geïmplementeerd. Voor zover in dit geding van belang gaat het hier om bepalingen van de Terugkeerrichtlijn die onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn gesteld dan wel rechten die particulieren tegenover de staat kunnen doen gelden. Verder is eiser een onderdaan van een derde land, althans geen burger van de Europese Unie, die illegaal verblijft in Nederland. Ook verder is er geen reden de Terugkeerrichtlijn niet van toepassing te achten op dit geval. Daarom zal de rechtbank de rechtmatigheid van de maatregel direct toetsen aan de Terugkeerrichtlijn, waarbij voor zover nodig de nationale wetgeving richtlijnconform wordt uitgelegd of buiten toepassing wordt gelaten.
2.6. In artikel 6 van Pro de Terugkeerrichtlijn is neergelegd dat aan een vreemdeling een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd bij wijze van, kort gezegd, startpunt van de (door de lidstaat geïnitieerde) beëindiging van illegaal verblijf. In artikel 8, onder het kopje verwijdering, is bepaald dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om het terugkeerbesluit uit te voeren. Onder dergelijke maatregelen vallen de dwangmiddelen, geregeld in artikel 8, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn, zoals bewaring. Uit artikel 8 volgt Pro eenduidig dat voorbereiding van terugkeer en verwijdering in het kader van de Terugkeerrichtlijn de uitvoering van een terugkeerbesluit is. In artikel 15 is Pro dwingend bepaald dat de maatregel van bewaring alleen kan worden opgelegd om de terugkeer van de desbetreffende vreemdeling voor te bereiden of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Dit systeem komt er naar het oordeel van de rechtbank op neer dat aan de bewaring steeds een terugkeerbesluit ten grondslag moet liggen, nu immers de enige twee toegestane doelen van de bewaring de uitvoering van een terugkeerbesluit inhouden.
2.7. Vast staat dat er in dit geval een terugkeerbesluit voorhanden is. Echter, eiser heeft in 2003 een asielaanvraag ingediend, die is afgewezen. Dit betekent dat er ten aanzien van eiser een meeromvattende beschikking is genomen, waarbij hij is gewezen op zijn vertrekplicht en hem een vertrektermijn is gegund. De rechtbank is van oordeel dat daarmee is voldaan aan de vereisten van de Richtlijn op dat punt, zodat de beoordeling van het thans genomen terugkeerbesluit reeds daarom buiten beschouwing kan blijven, nog daargelaten dat de rechtbank zich in het kader van de toetsing van een maatregel van bewaring op grondslag van een beroep tegen die maatregel, beperkt tot de constatering dat er zo'n vereist terugkeerbesluit is en de vraag of dat besluit rechtmatig is, of er een wettelijke bevoegdheid is om zo'n besluit te nemen en welk rechtskarakter (een besluit of beslissing niet zijnde een besluit) het heeft, in deze procedure niet ter beoordeling staat.
2.8. De rechtbank zal vervolgens beoordelen of een “redelijk vooruitzicht op verwijdering” in de zin van artikel 15, lid 4, van de Terugkeerrichtlijn bestaat.
2.9. Uit de gedingstukken alsmede het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerder op 16 december 2010 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Op
22 december 2010 is schriftelijk is gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten inzake de in onderzoek zijnde aanvraag tot afgifte van een laissez passer (lp).
2.10. Gelet op de in onderzoek zijnde aanvraag tot afgifte van een lp en nu geen sprake is van aanknopingspunten dat er ten behoeve van eiser geen lp zal worden verstrekt en gelet op de tijd die eiser in bewaring heeft doorgebracht, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een redelijk vooruitzicht op de verwijdering van eiser, zodat dan ook vooralsnog niet gezegd kan worden dat de bewaring in strijd is met artikel 15 van Pro de Terugkeerrichtlijn. De rechtbank acht daarbij van betekenis dat eiser zelf geen enkele actie onderneemt om aan documenten te komen dan wel om medewerking te verlenen aan zijn verwijdering.
2.11. Ook overigens is de rechtbank van oordeel, gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, dat de voortduring van de bewaring niet in strijd is met de Vw 2000 of de Richtlijn en evenmin bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten.
2.12. Vorenstaand oordeel brengt met zich dat een grondslag voor toekenning van schadevergoeding ontbreekt.
2.13. Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.
2.14. Mitsdien wordt beslist als volgt.
3. Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus gedaan door mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen in tegenwoordigheid van mr. R.A. Debets als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2011.
w.g. mr. R.A. Debets,
griffier w.g. mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen,
rechter
Voor eensluidend afschrift:
de wnd. griffier:
Afschrift verzonden: 6 januari 2011.
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.