ECLI:NL:RBSGR:2011:BP0490
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige voortzetting bewaring vreemdeling wegens ontbreken wettelijke grondslag na implementatietermijn Terugkeerrichtlijn
Eiser, een Iraakse vreemdeling, werd op 22 april 2010 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Na een eerder ongegrond verklaard beroep tegen deze bewaring, stond nu uitsluitend de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring sinds 2 december 2010 ter beoordeling.
De rechtbank oordeelde dat de gronden voor de bewaring, namelijk het ontbreken van een identiteitspapier en de verdenking van het plegen van een misdrijf, niet langer toereikend waren na het verstrijken van de implementatietermijn van de Terugkeerrichtlijn op 24 december 2010. De grondslag van verdenking van een misdrijf kon niet meer worden gehanteerd na 25 december 2010, conform het arrest Kadzoev van het Hof van Justitie.
Verder concludeerde de rechtbank dat het enkel ontbreken van een identiteitspapier onvoldoende gemotiveerd was om het vermoeden te rechtvaardigen dat eiser zijn verwijdering zou ontwijken of belemmeren. Daarom werd de voortzetting van de bewaring onrechtmatig verklaard vanaf 25 december 2010. De rechtbank kende eiser een schadevergoeding toe van €1.360 voor de onrechtmatige bewaring en veroordeelde verweerder in de proceskosten. Het beroep tegen de verlenging van de bewaring werd niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en beveelt opheffing van de bewaring met toekenning van schadevergoeding.