ECLI:NL:RBSGR:2011:BP0818
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- K. Wentholt
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduring vreemdelingenbewaring en toepassing Terugkeerrichtlijn
De rechtbank 's-Gravenhage behandelde het beroep van een vreemdeling tegen de voortduring van zijn bewaring en tegen het verlengingsbesluit van de maatregel van bewaring. De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen het verlengingsbesluit als vervolgberoep moet worden aangemerkt en daarom niet-ontvankelijk is, aangezien dit in feite gericht is tegen de voortduring van de bewaring. Er is geen hoger beroep mogelijk tegen dit oordeel.
De rechtbank stelde vast dat de Nederlandse wetgeving geen expliciete maximumduur van bewaring bevat, maar dat het beleid en vaste jurisprudentie een maximale duur van zes maanden hanteren, waarna een belangenafweging plaatsvindt. Deze praktijk is in overeenstemming met de Terugkeerrichtlijn, die een maximale bewaringsduur van zes maanden voorschrijft, met een mogelijke verlenging van maximaal twaalf maanden onder strikte voorwaarden.
De rechtbank concludeerde dat artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 richtlijnconform moet worden uitgelegd, waardoor een bewaring maximaal 18 maanden rechtmatig kan voortduren mits voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 15, vierde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn. De rechtbank verwierp het betoog van eiser dat de bewaring onrechtmatig is geworden na het verstrijken van de implementatietermijn van de richtlijn.
Verder oordeelde de rechtbank dat eiser niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de voorwaarden voor voortzetting van de bewaring niet meer aanwezig zijn. De rechtbank wees het beroep tegen de voortduring van de bewaring af en verwierp tevens het verzoek om schadevergoeding. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen het verlengingsbesluit niet-ontvankelijk.