ECLI:NL:RBSGR:2011:BP3135
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing bewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting binnen redelijke termijn
Eiser is op 5 mei 2010 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen de voortduring van deze vrijheidsontnemende maatregel. De rechtbank onderzocht of de voortgezette bewaring sinds het vorige onderzoek gerechtvaardigd was.
De rechtbank constateerde dat de lp-aanvraag bij de Beninse autoriteiten ruim vijf maanden in behandeling was zonder concrete vooruitgang en dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbrak vanaf 19 januari 2011. Tevens werd vastgesteld dat de wettelijke grondslag voor het verlengingsbesluit ontbrak doordat de Terugkeerrichtlijn nog niet was geïmplementeerd, waardoor de voortduring van de bewaring onrechtmatig was.
De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende voortvarend had gehandeld, maar dat de belangenafweging, mede gezien de ernstige psychische toestand van eiser en het ontbreken van zicht op uitzetting, in het voordeel van eiser uitviel. Het beroep werd gegrond verklaard, de bewaring onmiddellijk opgeheven en een schadevergoeding toegekend. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de bewaring wordt onmiddellijk opgeheven en eiser ontvangt een schadevergoeding van €480.