ECLI:NL:RBSGR:2011:BP3607
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting naar Jemen
Eiser is op 2 september 2010 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eerder beroep tegen de bewaring werd ongegrond verklaard, maar op 19 januari 2011 stelde eiser opnieuw beroep in tegen het voortduren van de vrijheidsontneming en verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank overwoog dat op basis van de beschikbare informatie, waaronder 15 laissez passeraanvragen bij de Jemenitische autoriteiten waarvan slechts één positief werd beslist, geen redelijk zicht op uitzetting bestaat. Verweerder kon geen aanvullende informatie verschaffen die tot een ander oordeel zou leiden.
De rechtbank oordeelde dat de bewaring vanaf 19 januari 2011 onrechtmatig is en verklaarde het beroep gegrond. De opheffing van de vrijheidsontneming werd bevolen met ingang van 8 februari 2011. Hoewel schadevergoeding toekomt over de periode 19 januari tot en met 7 februari 2011, werd deze gematigd tot nihil vanwege bijzondere omstandigheden, waaronder het feit dat eiser zelf niets had ondernomen om zijn vertrek te bespoedigen en dat hij ongewenst was verklaard.
Verweerder werd veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser, vastgesteld op € 874,00, te voldoen aan de griffier van de rechtbank. De uitspraak werd gedaan door rechter T. van de Woestijne op 8 februari 2011.
Uitkomst: De rechtbank heft de vreemdelingenbewaring op wegens ontbreken van redelijk zicht op uitzetting naar Jemen en stelt de schadevergoeding op nihil.